De ideale bos asperges

Glimlichtjes op de druiven, dons op de perziken: Adriaen Coorte schilderde stillevens als verfijnde altaarstukken. In het Mauritshuis is de grootste tentoonstelling ooit aan hem gewijd. Waarom is dit zo mooi?

Het Rijksmuseum bezit sinds 1903 een schilderij uit 1697 van Adriaen Coorte. Het stelt niet zoveel voor. Het is 25 bij 20,5 centimeter en er is een bundel asperges op geschilderd. Meer niet. Toch kan Stilleven met asperges, zoals de prozaïsche titel luidt, onweer veroorzaken. Donder in je ogen, bliksem in je hart. Onthutst zocht ik naar een verklaring toen de storm was overgedreven. Waarom gebeurde dit niet bij de Nachtwacht, een veel beroemder schilderij, of bij de groenteman, die immers ook asperges tentoonstelt. Waarom is dit zo mooi?

De ervaring bleek herhaalbaar, zelfs nog intenser, bij andere schilderijtjes van dezelfde schilder. Stilleven met druiventros in het Boijmans, Stilleven met takje kruisbessen op een of andere tentoonstelling, Stilleven met testje aardbeien op een ansichtkaart. Waarom zijn ze zo mooi?

Het is een vraag die je, ook als je alleen naar het museum gaat, nooit alleen kunt beantwoorden. Wat je ziet is beïnvloed door wat je al hebt gezien, door wat je weet. Stillevens van Heda en Morandi, de asperges van Manet, de soep van Warhol, de grot van Plato, het aura van Walter Benjamin en de prieelvogels van Darwin, ze gaan allemaal mee naar binnen, hoewel soms half vergeten, niet goed onthouden of verkeerd begrepen. Je kunt deze bagage niet in de garderobe afgeven. Met een volle rugzak loop ik naar de eerste verdieping van het Mauritshuis. Daar is Ode aan Coorte te zien, de grootste tentoonstelling die ooit aan de schilder is gewijd.

Asperges uit Amsterdam, uit Heidelberg, uit Cambridge. Het werk van Coorte is de laatste dertig jaar over de hele wereld verspreid geraakt en van particuliere collecties in musea terecht gekomen. Het is nu zelfs in China. Die geografische spreiding duidt op de universaliteit van schoonheid, of geeft aan dat een bepaalde opvatting van schoonheid steeds universeler wordt.

Als kopiist is Coorte in ieder geval bijzonder geslaagd: zijn asperges zijn duidelijk asperges, zijn perziken zijn geen abrikozen. Het lijkt alsof Coorte van Plato de ideale perzik en de ideale asperge heeft mogen zien, alsof hij niet naar het leven, maar naar het idee geschilderd heeft. Coorte geeft de schaduwen op de wand van de grot kleur, al blijven zijn perziken volmaakt oneetbaar.

Dat ze oneetbaar zijn, is eeuwenlang een bron van plezier en van zorg gebleven. Talloos zijn de anekdotes waarin duiven, paarden en mensen gefopt werden door kunstwerken, en talloos zijn de waarschuwingen dat wat niet echt is niet goed is, dat leugens niet deugen. Duchamp maakte er in de vorige eeuw een einde aan door een urinoir tentoon te stellen. Maar plezier noch zorg zijn door die geste verminderd. In het Mauritshuis zag ik een verdieping boven de Coorte-tentoonstelling een dode patrijs aan een touwtje hangen. Ja, ik trapte in de val die Jan Baptist Weenix in 1650 geschilderd had.

Zoeken naar schoonheid lijkt in moderne musea ingewikkelder. Maar Coorte werd pas in de twintigste eeuw mooi gevonden. Daarvoor stond zijn werk in de hiërarchie van de genres helemaal onderaan. In de negentiende eeuw kostten zijn schilderijtjes een paar kwartjes, minder misschien dan een echte bos asperges. Nu kost een bos asperges een paar euro en is een Coorte onbetaalbaar.

Woody Allen maakt in zijn beroemde opsomming van de dingen die het leven de moeite waard maken in Manhattan geen onderscheid tussen echt en kunst. Zowel het gezicht van Tracy als de appels van Cézanne, zowel de krab van Sam Wo als de Potato Head Blues van Louis Armstrong komen er in voor. Op mijn lijst zouden zeker de aardbeitjes van Coorte staan. Misschien is het wel de verdienste van Coorte dat ik aardbeitjes zo mooi vind, bosaardbeitjes dan, niet de kankergezwellen uit de supermarkt. Zijn schilderijen hebben mij ze leren zien; de raadselachtige, onevenwichtige verdeling van kleur, de eindeloze variatie in vorm, zelfs de voortplantingswijze lijkt Coorte te hebben afgebeeld – bosaardbeitjes vermeerderen zich via uitlopers.

Het grootste compliment

dat een landschap kan krijgen is dat het pittoresk is. Het is een idee dat teruggaat op de Duitse filosoof Kant, die zoveel eeuwen na Plato nog steeds geloofde in het samengaan van het goede en het schone, en kunst prees om het feit dat het geen nut heeft. Om er vervolgens meteen een nut voor te bedenken. Schiller hoopte dat een esthetische opvoeding tot een revolutie zou leiden in de manier waarop mensen zich voelen. Het zien van schoonheid veredelt. Dit hardnekkige idee zorgt ervoor dat museumbezoek nog steeds hoger aangeschreven staat dan een voetbalwedstrijd of bordeelbezoek.

Kunst is iets verfijnds, en als er iets verfijnd is, is het wel Coorte. Het is zo verfijnd, zo smaakvol, dat ik af en toe de neiging krijg er een snorretje op te tekenen. Met mijn zwarte stift geen aantekeningen maken over glimlichtjes op druiven, maar die lichtjes lekker dof maken, geen poging tot lyriek over zwemen rood of blosjes roze, maar die donzige perziken een stoppelbaard geven.

Doet het er eigenlijk wel toe dat die zwemen rood en blosjes roze vruchten voorstellen? Is het belangrijk dat die glimlichtjes op druiven zitten? Een van de dogma’s van de moderne kunst is dat het onderwerp er niet toe doet. Het gaat erom hoe het geschilderd is. Die perziken hadden net zo goed autospiegels kunnen zijn, of stopcontacten, of, om in Coortes tijd te blijven, bloemen of vissen of dode patrijzen. Bekend is de anekdote over Kandinsky, die op een tentoonstelling een schilderij van een hooimijt door Monet zag zonder dat hij wist dat het een hooimijt voorstelde. Hij vond het toch een mooi schilderij, en die gedachte bracht hem tot de abstracte kunst. Ik kijk in het Mauritshuis naar de bos asperges van het Rijksmuseum, het eerste schilderij van Coorte dat in een openbare collectie terechtkwam. Voor dit schilderij is in ieder geval kunde nodig, vakmanschap. Maar voor een ‘esthetische emotie’ is toch meer nodig. Stillevens van andere schilders zijn zeker zo goed geschilderd, zo niet beter. In het weergeven van de huid van dingen was hij beter dan in perspectief. Coortes werk levert zelf ook een bewijs voor het feit dat vorm en inhoud niet makkelijk te scheiden zijn. Er hangen op de tentoonstelling ook een aantal stillevens van schelpen. Die zullen net zo goed geschilderd zijn als het fruit en de groente, maar ze zijn veel minder populair.

Wat zou die asperges en aardbeien dan zo aantrekkelijk maken? Op de eerste plaats misschien dat je ze buiten hun seizoen kunt zien, onverwelkt, niet verrot. Het is een notie die ons nu misschien absurd voorkomt, maar in de zeventiende eeuw, zeker over bloemstukken, werden zulke dingen vaak beweerd. Nu klinken ze alleen in de poëzie niet banaal. „Wat eetbaar en bederfelijk is als/ mensen, is voor een oponthoud met moedwil afgezonderd/ en boven de amechtige natuur gesteld./ Het moest en zou daaraan voorbij,/ eer het onduidelijk restant zou worden/ op de etensborden of de belt”, dichtte Ed Leeflang. Ik herinner me ook dat je er trek van moest krijgen. Het stilleven als culinaire pornografie.

Op de website van het Rijksmuseum wordt nog over de asperges gezegd dat ze getuigen van de zeventiende-eeuwse voorliefde voor seksuele symboliek. „De vorm van de asperge doet immers denken aan het mannelijk lid.” In het Mauritshuis wordt van symboliek niet meer gerept, van asperges noch van druiven (vruchtbaarheid, bloed van Christus) of perziken (waarheid), terwijl die volgens de iconografische handboeken toch ook zo hun betekenissen hebben. Waarom schilderde Coorte eigenlijk geen appels? Conservator Quentin Buvelot sluit deze weg in de voorbeeldige oeuvrecatalogus af met de opmerking: „Een diepere betekenis lijkt er in deze voorstellingen niet meer te zijn, behalve misschien de verheffing van eenvoudige motieven.’’

Ik zie een piepklein schilderijtje

van twee walnoten, op ware grootte afgebeeld. Ernaast, ook op ware grootte, een aantal hazelnoten, nog in hun slappe zachtgroene omhulsels. Dan weer aardbeien, asperges, aardbeien en asperges, aardbeien en asperges en bessen, aardbeien en asperges en bessen en een vlinder, altijd op een stenen tafel en altijd hemels hard belicht. Waarom schilderde Coorte überhaupt?

Vaak wordt de omweg van de biografie gekozen om een kunstwerk te begrijpen. Het leven verklaart het werk. Over Coorte is niets bekend. De enige data die we kennen zijn die op de schilderijen, ook de enige teksten waarop tijdens zijn leven zijn naam voorkomt. Een zekere Coorde werd in 1695 door het Sint Lucasgilde van Middelburg veroordeeld tot het betalen van een boete van 1 Vlaams pond omdat hij schilderijen had verkocht zonder lid te zijn van het gilde. Uit indirect bewijs, voornamelijk verzameld door Laurens J. Bol, de herontdekker van Coorte, blijkt dat de schilder tussen 1660 en 1665 geboren is, dat hij in de buurt van of in Middelburg woonde, dat hij in Amsterdam in de leer is geweest. Dat is alles. In ieder geval kunnen we hem een obsessie toedichten, met al dat fruit. Net als Philip Akkerman of Klaas Gubbels beperkte hij zich tot een paar onderwerpen, die door hun hardnekkige aanwezigheid vanzelf meer waarde krijgen. God zit in de details.

De achtergrond van Coortes schilderijen is altijd zwart. Ondoordringbaar zwart. Zo komt het fruit beter uit, is de formalistische redenering. Maar op sommige doeken lijkt het inderdaad een doek, een gordijn.

De waardering voor Coorte wordt ook vaak in christelijk religieuze termen uitgedrukt. Marianne Vermeijden noemde het werk van Coorte in deze krant ooit de beste reclamespot voor de schepping. Coorte is in deze opvatting een monnik die van een testje aardbeien een altaarstuk weet te maken. Woorden als nederig, eenvoudig, intiem, sober, doodgewoon en alledaags kom je steeds weer tegen in de literatuur over Coorte. In het alledaagse schuilt tegenwoordig het ware, zoals de Franse filosoof Jacques Rancière het formuleert. „Het alledaagse wordt een spoor van het ware als het aan zijn vanzelfsprekendheid wordt ontrukt en verandert in een hiëroglief, in een mythische of fantasmagorische gestalte.” Het lukt Coorte zijn asperges en aardbeien in zulke hiërogliefen te veranderen.

Een vlinder vliegt boven een perzik

, vrucht waarvan Coorte zo goed niet alleen de haartjes, maar ook het stenige daaronder heeft getroffen. Waarom vind ik dit mooi? Waarom is dit mooi? ‘Vind’ en ‘is’; veel esthetische theorieën willen daartussen geen onderscheid maken. Er bestaat een universele smaak, een claim die nu door de evolutietheorie ondersteund wordt. Mensen hebben een voorkeur voor savanne-achtige landschappen, voor symmetrie, voor jonge mensen.

Maar prieelvogels bouwen al eeuwen dezelfde priëlen. Mensen versieren steeds anders. Ook met terugwerkende kracht. Pas na Morandi en Mondriaan kon Coorte als versierder doorbreken. De Nederlandse kunstpaus H.P. Bremmer vond zijn werk in 1917 nog bleek, magertjes, banaal. Nu behoort Coorte tot de canon van de Hollandse zeventiende-eeuwse kunst. In de winkel van het Mauritshuis liggen de placemats, dienbladen en koelkastmagneten klaar om Coorte verder op weg te helpen in het tijdperk van de technische reproduceerbaarheid.

In het Rijksmuseum vond ik Coortes asperges mooier dan in het Mauritshuis. Tussen al die andere asperges is het schilderijtje geen eenling meer. Coorte bekoorde ook doordat er zo weinig van was. Nu is er geen tekort meer. Van de 64 schilderijen van Coorte die er bekend zijn, zijn er hier 35 bijeengebracht.

Schoonheid kun je ook vinden in de dierenwinkel, of in de disco. In musea heb je in theorie meer kans door schoonheid getroffen te worden dan daarbuiten. Maar de bliksem slaat niet op afspraak in. Hoewel, daar liggen drie abrikozen en twee perziken. Waarom?

Ode aan Coorte, t/m 8 juni in het Mauritshuis, www.mauritshuis.nl