Dankzij een nazi de oorlog door

‘Close reading’ van al wat ooit over Gertrude Stein en partner Alice B. Toklas is geschreven kan een gelaagd verhaal opleveren, bewijst de door de wol geverfde journaliste Janet Malcolm.

Janet Malcolm: Two Lives. Gertrude and Alice. Yale University Press, 229 blz. € 27,–

De titel belooft een dubbelbiografie. Two Lives, een lichtvoetige studie over het avant-gardistische, Amerikaanse schrijverspaar Gertrude Stein en Alice B. Toklas, geschreven door Janet Malcolm, kun je echter moeilijk een biografie noemen, eerder een essayistisch commentaar op bestaande publicaties van en over Stein en Toklas. Daaruit heeft literair journaliste Malcolm, in een op het eerste gezicht nogal parasitair ogend boekje zonder bibliografie en met een minimum aan voetnoten, de krenten gepikt voor een uitermate sappig verhaal.

Op de prangendste vraag: hoe overleefde het joods-lesbische paar Gertrude Stein (1874-1946) en Alice Toklas (1877-1967) in hun Zuid-Franse buitenhuis de Tweede Wereldoorlog, komen louter antwoorden die al door anderen zijn gegeven. Alleen, die antwoorden zaten tot dusver verstopt in dikke, vaak weinig toegankelijke boeken. Malcolm voegt weliswaar weinig toe, maar slaagt er wel in feiten die door geduldige biografen boven water zijn gehaald in een nieuw licht te plaatsen. Intussen laat ze alle serieuze Stein- en Toklas-onderzoekers in hun waarde. Ze voert ons binnen in het wereldje van literaire specialisten, geeft hun een gezicht en biedt ons en passant boeiende onthullingen over elkaar beconcurrerende en soms bestelende wetenschappers, die de prachtigste vondsten hebben gedaan, maar er niet in slagen die op een aansprekende manier te presenteren.

Zo beschrijft Malcolm, die eerder furore maakte met The Silent Woman (1994) over dichteres Sylvia Plath, hoe ze de gerenommeerde Stein-kenners Edward M. Burns en Ulla E. Dydo aanzet tot nader onderzoek naar de collaborateur Bernard Faÿ. Over deze hooggeleerde homoseksuele Franse nazi, met wie de aartsreactionaire communistenhater en Pétain-aanhangster Stein al sinds de jaren twintig omging, was al een en ander bekend. Deze Faÿ zorgde ervoor dat Stein en Toklas (alsmede hun befaamde schilderijencollectie) de oorlog doorkwamen. Maar voor wat, hoorde wat. Op zijn verzoek vertaalde Stein nog in 1942-’43, toen de deportaties van Franse joden in volle gang waren, een boek met Pétains speeches in het Engels. In 1951, toen Faÿ, veroordeeld tot levenslang, ontsnapte uit een gevangenishospitaal, deed hij dat met financiële hulp van Toklas, die hiervoor één of meer van haar Picasso’s verkocht.

Stein en Toklas hebben altijd gezwegen over hun connecties met Faÿ en veel van hun bewonderaars waren geneigd daar min of meer begripvol overheen te stappen. Uiteraard vonden de adepten van het schrijverspaar dat Faÿ een antisemitische ellendeling was, maar er zou aan zijn handen geen bloed hebben gekleefd. Althans daar ging men gemakshalve van uit.

Malcolm zette de grote Stein- en Toklas-kenner Burns er echter toe aan het hier niet bij te laten. Vervolgens ontdekte Burns dat de beschermheer van Stein en Toklas als medewerker van de Gestapo direct verantwoordelijk is geweest voor de dood van talrijke vrijmetselaars. Wat betekent dat voor het levensverhaal van Stein en Toklas? ‘Ik begin meer te weten te komen over deze verwerpelijke man dan me lief is’, berichtte Burns aan Malcolm, tijdens zijn op haar aandringen verrichte onderzoek in Parijs. Raar eigenlijk, een onderzoeker wil doorgaans álles weten.

Maar ja, wat is uiteindelijk de betekenis van zulke feiten? Malcolm maakt goed duidelijk – en dat is dan weer de andere kant van het verhaal – dat het opdiepen van nog onbekende feiten iets anders is dan het vinden van ‘de’ waarheid over iemands leven. We weten nu dan wel dat Steins en Toklas’ beschermer een bureaumoordenaar was, maar daarmee is niet gezegd dat zij dat ook wisten en – als dat wel zo was – welke gewetensvragen zij zichzelf gesteld hebben. Bij figuren als Stein en Toklas, over wie niet alleen veel is gemythologiseerd maar die bovendien van zichzelf en hun veertig jaar durende liefdesrelatie een mythe construeerden, is het ondoenlijk feiten en fictie, laat staan de interpretatie ervan, duidelijk te onderscheiden.

Wat Malcolm laat zien, is dat je alleen op basis van overgeleverde anekdotes, hoe waardevol ook, de waarheid zelfs niet kunt benaderen. Daarvoor is, zeker bij schrijversbiografieën, een grondige studie van het literaire werk een eerste vereiste. Zelf betoont zij zich geen liefhebber van het experimentele proza van het zelfverklaarde literaire genie Gertrude Stein. Niettemin waagde ze zich aan Steins onleesbare ‘anti-roman’ The making of Americans, op basis waarvan ze vervolgens een briljante, met uitvoerige citaten doorspekte, analyse van Steins karakter én schrijverschap geeft.

Het spectaculairste voorbeeld van wat close reading van een literair oeuvre een biograaf kan opleveren, kreeg Malcolm van prof. Dydo. Terwijl die het manuscript van het zelfs voor de grootste Stein-bewonderaars ondoorgrondelijke gedicht Stanzas in Meditation uit 1932 vergeleek met de gepubliceerde tekst, ontdekte ze dat Stein steeds het werkwoord ‘may’ had veranderd in ‘can’ en de tijdsaanduiding ‘mayday’ in ‘today’. De reden voor deze systematische schrapping van het woordje ‘may’ was de verzengende jaloezie van Alice B. Toklas op Steins eerste grote liefde May Bookstaver. Toklas, die als een slavin voor Stein zorgde, zou tegelijkertijd als een tiran over haar hebben geheerst en het ‘genie’ gedwongen hebben haar teksten aan te passen. Weg met May en met het woord may.

Volgens Dydo en haar collega-Steinvorsers paste dit in het sadomasochistische karakter van hun relatie. Ze wezen Malcolm in dit verband op een passage uit The Moveable Feast van Hemingway, waarin hij beschrijft hoe hij tijdens een bezoek aan het paar, Gertrude Stein bij Alice Toklas om genade hoorde schreeuwen. ‘Don’t, pussy. I’ll do anything, pussy, but please don’t do it’. Malcolm herinnert er echter aan dat de verhouding tussen Hemingway en Stein behoorlijk getroebleerd was. Hemingway wilde met de lesbische Gertrude naar bed, zij vond hem een schijnmodernist die rook naar het museum. Zijn getuigenissen verdienen dus de nodige scepsis. ‘Maar’, schrijft ze, ‘in het licht van wat „pussy” deed met Steins gedicht, lijkt Hemingway’s verslag niet langer verdacht.’

Dit is, door het hele boek heen, Malcolms werkwijze: Als een detective speurt ze naar alles wat door en over Stein en Toklas is geschreven, ze wijst op inconsistenties, omissies, tegenstrijdigheden, dilemma’s en regelrechte leugens van biografen en anderen, om tot de conclusie te komen dat honderd procent betrouwbare biografieën niet bestaan.

Wie pretendeert het laatste woord te kunnen zeggen over iemands leven, houdt zichzelf en zijn lezers voor de gek, lijkt zij te willen aantonen. Intussen presenteert ze niet alleen een veelkleurig en gelaagd verhaal over Gertrude Stein en Alice B. Toklas dat leest als een thriller, maar beschouwt ze ook de ethische eisen die het biografische genre stelt. Academische onderzoekers kunnen veel opsteken van deze door de wol geverfde journaliste.

Janet Malcolm (1934) kreeg wereldfaam na een schadeclaim van 10 miljoen dollar naar aanleiding van haar (ook in het Nederlands vertaalde) boek Inside the Freud Archives, waarin ze een psychoanalyticus van valsheid in geschrifte beschuldigde. Na een slepend proces werd ze door de rechter in het gelijk gesteld. Eén van haar volgende boeken, The Journalist and The Murderer (1990), baarde opzien door deze provocerende openingszin: ‘Iedere journalist die niet al te stom is of te veel vervuld van zichzelf om te weten hoe het werkt, snapt dat wat hij doet onverdedigbaar is’. Maar zelf gaat ze, ook weer in Two Lives, op een volledig transparante manier te werk.

Haar boeken zijn uitermate inspirerend voor onderzoekers van welke aard ook. Zelfs als levensfeiten en feitjes uitputtend zijn onderzocht, zijn er weer nieuwe inzichten mogelijk door niet eerder opgemerkte verbanden te ontdekken. Of door de belangen en preoccupaties van biografen en hun bronnen bloot te leggen – niet om hen te ontmaskeren, maar om te voorkomen dat de beschreven levens voorgoed bedekt raken onder het stof van de overlevering. Ook in Nederland zouden biografieën van schijnbaar ‘dood gecheckte’ schrijvers als bijvoorbeeld Couperus en Vestdijk telkens weer afgestoft kunnen worden door vindingrijke en onbevangen speurders van het slag Janet Malcolm.

In Two Lives vergelijkt Malcolm zichzelf tussen de regels door met Gertrude Stein die niet genoeg verbeeldingskracht had om een roman te schrijven. ‘Ze kan alleen maar schrijven over wat er feitelijk is gebeurd met mensen die ze kent. En daarmee bereikt ze nog minder dan andere schrijvers die dramatische verbeelding ontberen – journalisten, biografen, memoiresschrijvers. Haar personages lijken in niets op fictionele karakters en evenmin op figuren uit biografieën, memoires of reportages’. En precies daarin zit nu juist het verschil tussen Malcolm en Stein. Malcolm verzint weliswaar ook niets zelf, maar haar inlevingsvermogen, analytische capaciteiten en verteltalent stellen haar in staat al haar personages, zowel hoofd- als bijfiguren, levensecht te maken.

Haar literaire ‘detective’ over Stein en Toklas is een ideale combinatie van biografie, literaire kritiek en onderzoeksjournalistiek. Met grote durf verkent Malcolm de grenzen van deze genres zonder ze ooit te overschrijden en zonder haar lezers ook maar een moment met theoretische uiteenzettingen te vervelen.