Anti-folk in konijnenpak

In 2004 ging het duo The Moldy Peaches uiteen. Nu staan ze ineens weer in de belangstelling met hun nummer Anyone Else But You dat aan het slot van de filmhit Juno klinkt.

Aan het eind van de film Juno zitten hoofdpersoon Juno en haar vriendje Paulie aan weerszijden van een stenen buitentrap. Ze spelen gitaar en zingen het liedje Anyone Else But You, een onvast nummer dat met een paar rammelende gitaarakkoorden en de woorden ‘I don’t see what anyone can see in anyone else but you’ de breekbaarheid van leven en liefde tot uiting brengt.

Anyone Else But You was een paar scènes eerder al te horen in de versie van degenen die het ooit bedacht hebben, The Moldy Peaches. Dit Amerikaanse duo, bestaand uit zangeres Kimya Dawson en zanger/gitarist Adam Green, dat in 2004 uit elkaar ging, krijgt nu dankzij Juno een tweede leven. De arthousefilm over een zestienjarig meisje dat zwanger wordt en voor haar ongeboren kind naar adoptieouders zoekt, is in Amerika een onverwacht artistiek en commercieel succes. Juno won al veel prijzen, en kreeg afgelopen zondag de Oscar voor beste scenario (hoofdrolspeelster Ellen Page was genomineerd voor beste actrice). In het kielzog van de film werd in Amerika ook de soundtrack een hit: de cd, waarvoor Kimya Dawson een aantal nummers schreef, met daarop liedjes van Sonic Youth, Belle&Sebastian, The Velvet Underground en Cat Power, stond bovenaan de albumlijst.

Het liedje Anyone Else But You, dat toen het in 2001 verscheen nauwelijks opviel, is opnieuw als single uitgebracht. The Moldy Peaches speelden als duo tijdens de première van Juno, afgelopen december, en traden ook op in een paar Amerikaanse tv-shows. Maar van een reünie is voorlopig geen sprake, vertelt Adam Green per telefoon vanuit Amerika. „We hebben het er wel over gehad. Maar we zijn allebei met andere dingen bezig. Een paar jaar geleden overwogen we het ook al. Toen dachten we aan een Moldy Peaches-tournee, speciaal voor Nederland.”

Amerika mag The Moldy Peaches

dan nu ‘ontdekken’, Nederland deed dat al in 2001. Die zomer traden Adam Green en Kimya Dawson op in het voorprogramma van stadsgenoten The Strokes. Ze speelden op het Metropolis-festival in Rotterdam en deden een radiosessie bij de VPRO: zij in een wit konijnenpak met hangoren, hij vermomd als Robin Hood, met punthoedje en korte broek. Zij zong, hij speelde akoestisch gitaar en zingzegde zijn ironische commentaar. De liedjes, zoals ook te horen op hun toen net verschenen debuut-cd, waren rudimentair, met simpele melodieën die na één keer luisteren bleven hangen, vergelijkbaar met nummers van de grote voorbeelden Jonathan Richman en The Velvet Underground.

Binnen een paar maanden waren The Moldy Peaches terug in Nederland, nu met vier extra muzikanten op drums, bas en percussie, die ook altijd verkleed waren, als piraat, minstreel of monnik. De concerten werden ‘happenings’, met groepsknuffels en spontane polonaises door de zaal. Het Nederlandse publiek kon er geen genoeg van krijgen. In het najaar van 2001 speelden The Moldy Peaches soms wel drie keer per week in Paradiso, Amsterdam.

Aldo Perotti, medewerker in Nederland van hun platenmaatschappij Rough Trade, was er vaak bij. „Ze vonden het hier geweldig”, zegt hij. „Om de sfeer, het enthousiaste publiek, de vrije drugs.” Perotti vertelt hoe hij een keer met de band in de lift bleef steken in Paradiso. Toen de zuurstof opraakte en sommige muzikanten onwel werden, belde Perotti 112. Brandweermannen kwamen en forceerden de deur, waarna tot hun verbazing een verzameling verfomfaaide sprookjesfiguren naar buiten tuimelde. Vervolgens gaf de band haar beste optreden ooit, aldus Perotti: „Opgefokt en gedreven.”

2001 was ook het jaar dat de benaming ‘anti-folk’ voor het eerst gebruikt werd. De term sloeg op muzikanten die kozen voor een klein, akoestisch instrumentarium en folk-achtige liedjes, maar tegelijk de draak staken met de ‘klassieke’ folk-stijl. Nummers van de titelloze debuut-cd (uit 2001), zoals Steak for Chicken en Lucky Number Nine, gingen over alledaagse onderwerpen als hamburgers, prozac, en kwesties als ‘who’s got the crack’ en ‘who’m I gonna stick my dick in’.

Maar net als folk-artiesten vielen The Moldy Peaches, en bentgenoten zanger/striptekenaar Jeffrey Lewis, harpiste Joanna Newsom, pianiste Regina Spektor of zanger Herman Dune op door hun gemeenschapszin: ze overbruggen de afstand tussen artiest en publiek. Fans mogen op het podium komen en de muzikanten gedragen zich niet als sterren.

Na hun – vriendschappelijke – breuk

in 2004, begonnen Kimya Dawson en Adam Green allebei een solocarrière. Zoals te horen op haar solo-cd’s en in de door haar geschreven liedjes op de soundtrack van Juno hield Dawson vast aan de naïeve liedjesstijl. Op cd’s als Hidden Vagenda (2004) en I’m Sorry That Sometimes I’m Mean (2002) staan nummers met intiem klinkende begeleiding van akoestisch gitaar, opgenomen in de keuken bij Dawson thuis. Adam Green heeft zich in een andere richting ontwikkeld: hij werd crooner. Op zijn solo-cd’s, inmiddels vijf stuks, zingt Green met diepe, afgeronde stem zijn nog altijd luchtige teksten, omlijst door orkestraties met strijkers en pauken; verdwenen is de voorkeur voor een rammelige stijl en lo-fi geluidskwaliteit. De liefde voor orkestrale popmuziek stamt uit zijn jeugd, zegt hij. „Toen ik acht was hoorde ik muziek op de radio, van Elvis en van Motown. Pas later besefte ik dat het de violen en de arrangementen waren die ik mooi vond. Bij The Moldy Peaches had ik nog niet de durf om de liedjes ‘groter’ te maken, en ze helemaal goed af te werken.

„Maar toen ik uit de band stapte, kreeg ik een nieuw gevoel van vrijheid. Ik bedacht me dat ik die orkestraties kon gaan maken, ik had inmiddels de moed én de financiële middelen. Ik ging naar Californië en huurde een orkest en een arrangeur. Eindelijk klonk mijn muziek zoals ik het als kind al droomde.”

Green, die nu 26 is, begon The Moldy Peaches al op zijn twaalfde. Het begin van de band is een scene die zo uit Juno had kunnen komen: Green werkte na schooltijd in een pizzeria in een klein dorpje in de staat New York. De elf jaar oudere Dawson werkte aan de overkant in een platenzaak. In zijn lunchpauze schreven ze samen liedjes, tot hij weer terug moest naar de pizzeria. „Zo ging het iedere dag”, zegt hij. „In 1996 hadden we onze eerste lp gemaakt, maar toen waren we nog niet echt een band, eerder een fantasie. We wisten dat we muzikant wilden worden. Alleen niet hoe. Het duurde tot 1999 voordat we serieus werden.”

Onlangs werd het nummer Jorge Regula van hun eerste cd een succes in Zuid-Amerika, toen het voorkwam in een tandpasta-reclame. Verbaast het Green dat zijn oude liedjes ineens veel bijval krijgen? „Helemaal niet. Toen we die nummers opnamen had ik al het idee dat veel mensen ze leuk zouden kunnen vinden. Ik denk niet na over de vraag waaróm de mensen het leuk vinden. Zoals ik me ook nooit afvraag waarom mijn vrienden me aardig vinden.”

De soundtrack van Juno is uitgebracht door Universal. De nieuwe cd Sixes and Sevens van Adam Green verschijnt 7 maart bij Konkurrent. Green treedt op: 18/4 Melkweg, Amsterdam.