Amis ziet het midden onder zijn voeten verdwijnen

Martin Amis: The second plane. Jonathan Cape, 206 blz. €22,75

Het beslissende moment, dat was de nadering van het tweede vliegtuig, schrijft Martin Amis aan het begin van deze bundel, ‘dat als een haai boven het Vrijheidsbeeld nabij kwam. Tot dan dacht Amerika dat ze getuige was van niets ernstigers dan de ergste luchtvaartramp in de geschiedenis; nu had ze een idee van de uitzonderlijke heftigheid van dat wat zich tegen haar richtte.’

Het is de observatie van een literator, en het is typerend voor Amis dat hij deze observatie al snel laat volgen door juist een beschouwing over de onmacht van de literaire verbeelding bij een dergelijke gebeurtenis. ‘Na een paar uurtjes achter hun schrijftafel op 12 september 2001, overwogen alle schrijvers op aarde de richting te gaan die Lenin zo dreigend Maxim Gorki aanbeval: verandering van beroep.’ En inderdaad, zo voegt hij eraan toe, veel fictieschrijvers besloten journalistiek te schrijven over die dag. Amis weet wel waarom ze dat deden: they were playing for time.

The second plane is een verzameling essays, recensies en verhalen die Amis naar aanleiding van 11 september (hij besteedt een heel hoofdstuk aan het uitleggen waarom die term als begrip zo vulgair is) publiceerde, in chronologische volgorde zonder er, op een enkele uitzondering na, iets aan te veranderen na de oorspronkelijke publicatie.

Martin Amis is sinds enkele weken verwikkeld in een onaangenaam relletje over een interview, waarin hij meedeelde ‘de neiging te voelen’ radicale maatregelen voor te staan om zulke aanslagen in de toekomst tegen te gaan. Zoals reisbeperkingen voor moslims en het visiteren van ‘mensen die eruit zien alsof ze uit het Midden Oosten of Pakistan komen’. Heel traditioneel Brits links viel over hem heen, de benaming racist viel uiteraard en in blog-land woedt de discussie nog steeds voort over de vraag in welke mate ‘the urge to say’ gelijk staat aan het uiten van werkelijke denkbeelden. Een discussie die, niet verwonderlijk, grote overeenkomsten vertoont met die in Nederland. Vanzelfsprekende allianties in het intellectueel-literaire linkse kamp zijn ontploft, meningen polariseren, emoties nemen de overhand.

Amis suggereert, in een van de latere stukken, tot zijn verbazing dat hij, zelf van mening zijnde dat zijn standpunt niet is veranderd, toch binnen die discussie ergens terecht is gekomen waar hij niet wilde zijn. Zelf had hij geen idee dat hij opgeschoven was in het spectrum, maar ‘the middle ground was not where it used to be.’ Die observatie is grotendeels juist. Zijn meningen over de idiotie van de inval in Irak, over de onafhankelijkheid van geest als antipode van religie, over de aanstaande demografische overwinning van de islam binnen Europa, over islamisme als geweldstheologie (‘een ideologie bovenop een religie – illusie op illusie... Het heeft niet alleen een gewelddadige tendens. Geweld is het enige dat er is’) zijn in al hun grilligheid en soms ook onbezonnenheid behoorlijk consistent, al worden ze met het verstrijken van de jaren steviger geformuleerd. Ik ben geen islamofoob, schrijft hij in 2007, maar een islamismofoob. En zoveel kunnen we ook al uit zijn vroegste stukken deduceren.

Van Amis zou je mogen verwachten dat hij in de fictie, zijn ware métier, zijn rechtvaardiging zou vinden, maar de twee verhalen in deze bundel zijn eigenlijk tamelijk zwak. In ‘In the Palace of the End’ kruipt hij in de huid van een van de talloze ongelukkige Irakezen wier taak het was als dubbelganger van de Saddam-clan te fungeren, in zijn geval van een van diens zoons. In het andere verhaal, ‘The Last Days of Muhammad Atta’ doet hij dat (zij het in de derde persoon enkelvoud) met de piloot van het eerste vliegtuig. In beide gevallen benadrukt hij het ‘anders zijn’ van zijn hoofdpersonen. Maar zijn pogingen dat aan te tonen overtuigen niet erg; de verhalenschrijver Amis legt het hier af tegen de polemist Amis, waarmee hij ongewild zijn bewering over de ontoereikendheid van de literaire verbeelding onderstreept. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij zichzelf daar ook niet van heeft uitgesloten.