Pingpong, belminuten en vogelnesten in China

Wat weten we nu echt van China? Goed, het land organiseert de Olympische Zomerspelen van 2008, is qua mensenrechten niet helemaal kosjer, groeit economisch als een tierelier, en had een paar jaar geleden naar verluidt negen miljoen fietsen in Peking. Maar verder?

Wie dat wil weten, kan de speciale China-editie (8,95 euro) van weekblad Elsevier erop naslaan. Na het lezen van de bijna honderd glinsterende pagina’s is het bijvoorbeeld geen geheim meer dat China zestien van ’s werelds meest vervuilde steden herbergt, dat onder de 1,3 miljard Chinezen 700 miljoen armoedzaaiers en 108 dollarmiljardairs zijn, en dat spugen een Chinese traditie is maar nu wordt beboet door een speciaal daarvoor in het leven geroepen brigade waarvan de agenten op hun revers het Chinese teken voor slijm dragen.

Opvallend in Elseviers Chinagids is het aanzienlijke aantal grafieken en tabellen. Ook al dragen ze bij aan de leesbaarheid van het geheel, sterk zijn ze niet altijd. Chinese stedelingen kopen en masse mobieltjes, zo moet een tabel verduidelijken. Inderdaad, 350 miljoen belminuten in 2007 klinkt als akelig veel. Maar zonder informatie over voorgaande jaren, tast de lezer in het duister. Ook China’s bijdrage aan de groei van de wereldeconomie (12 procent) zegt meer als deze wordt afgezet tegen het recente verleden.

Chinareizigers in spe kunnen hun voordeel doen met het stappenplan ‘met stokjes eten’, en met het fonetische woordenlijstje dat pareltjes bevat als Lùtedan en pingpangqiú (Rotterdam; tafeltennis). De gids blijkt bovendien een prima voorbereiding op weg naar Peking 2008, inclusief een gedetailleerd speelschema, en een overzicht van de belangrijkste sportstadions, waaronder het „vogelnest”, het nationale stadion dat 91.000 zitplaatsen telt.

Wat Elsevier niet meldt, maar het Engelstalige maandblad Monocle (11 euro) wel, is dat het vogelneststadion 300 miljoen euro heeft gekost, en dat ene meneer Du van 59 jaar vindt dat het eruit ziet het haar van mevrouw Du nadat ze het heeft gewassen. Het citaat staat in een artikel dat eigenlijk draait om de vlijmscherpe foto’s van Peking. Omringd door de lage, bruine puntdaken zien de ovalen sportstadions eruit als reusachtige struisvogeleieren. Ook de internationale luchthaven van Peking heeft een facelift gehad: de aankomsthal voor buitenlanders is onder handen genomen door dezelfde „airport maestros” die eerder Londen Stansted hebben bewerkt.

China kan ook te ver gaan in het najagen van rijkdom, zo toont Monocle. China mag dan 345 duizend miljonairs hebben, dat betekent nog niet dat de nieuw opgerichte luxueuze winkelcentra goede zaken doen. Sterker, ze zijn leeg. „Men klaagt dat het te duur is hier”, zegt Eugene Tang, eigenaar van een luxe mall in hartje Peking. Het lijkt erop dat Chinese rijkaards hun Gucci-tassen en Dior-sieraden nog steeds het liefst in het buitenland kopen. Toch weet de verslaggever van Monocle één Chinees te vinden die geïnteresseerd is in de weelderige luxe van Tangs mall. Ze heet Gong Ting (21) en heeft maar één probleem: met haar maandinkomen koopt ze nog geen kwart van die mooie Gucci-tas.

Ingmar Vriesema