Oud en jong

Een kleine man van een jaar of vijftig liep vlak achter me op de stoep in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. De straten zijn er genoemd naar staatslieden uit de 18de en 19de eeuw. Zij hadden ongetwijfeld op een postuum bestaan in een troostrijker omgeving gehoopt. Maar de dood is doorgaans nog veel onrechtvaardiger dan het leven.

De man droeg een uitpuilende, plastic boodschappentas. Ik had geen acht op hem geslagen, als een stem achter mij niet had geschreeuwd: „Zó gaat het niet langer, het is elke dag hetzelfde.”

Ik keek om en zag een aanzienlijk jongere man naderen. Hij droeg een kleinere boodschappentas en had een gemelijke uitdrukking op zijn gezicht. Hij bleef op anderhalve meter achter de oudere man lopen, die af en toe schichtig over zijn schouder naar hem keek.

„Je moet niet zo zeiken”, zei de oudere man, „en zeker niet zo hard, zodat iedereen ons kan horen.”

„Het kan me niet verrekken”, zei de jongere man. „Ik heb er genoeg van. Het is altijd hetzelfde met jou. Altijd gezeur, altijd kritiek. Je zou wat meer zelfkritiek moeten hebben, daar zou je van opknappen.”

De oudere man stootte een wrang lachje uit. „Zelfkritiek. Hoor hém. Wie weet het hier altijd beter? Wie trekt zich nooit iets van een ander aan? Wie draait de hele dag keiharde muziek? Wie neemt ’s morgens de krant naar zijn werk mee, zonder te vragen…”

„Ik werk tenminste nog.”

„Als je dat werken noemt. Op je luie kont zitten op een kantoor…”

De afstand tussen hen werd groter noch kleiner en ze deden geen poging mij te passeren, alsof ze voorzagen dat ze dan hun bittere dialoog niet goed konden voortzetten. En zo’n dialoog heeft zijn eigen dynamiek, het is een golfbeweging van vertrouwde verwijten die je rustig moet laten uitgolven tot het eindpunt is bereikt. Pas dan kan het zwijgen beginnen waarin de wonden worden gelikt en, vooral, geteld.

Maar zó ver waren deze mannen nog lang niet, en het was zelfs de vraag of het er nog ooit van zou komen.

„Je moet ook eens ophouden met blowen”, zei de oudere man, „het huis staat stijf van de walm.”

„Ik moet niks. De een blowt, de ander zuipt. Niet dan?”

„Krijgen we dat weer.”

De oudere man deed onverwacht een stap opzij en stak ineengedoken en met fladderende jaspanden de straat over. Pas toen passeerde de ander mij, plotseling sneller lopend, alsof er een last van hem was afgevallen. Hij beende naar de hoek van de straat zonder naar zijn vriend te kijken en sloeg linksaf.

Aan de grond genageld keek de oudere man hem van de overzijde van de straat na. Wat zouden we nou krijgen? Er gingen toch geen onherstelbare dingen gebeuren? Hij stak de straat weer over en liep aarzelend zijn vriend achterna. Na een meter of twintig riep hij luid: „Wat doe je nou? Je moet deze kant helemaal niet op.”

Er kwam een onverstaanbare flard van een antwoord terug. De oudere man haalde zijn schouders op, draaide zich om en liep weg. Ik wandelde door en passeerde de jongere vriend. Hij was blijven staan, onzeker om zich heen kijkend.

Toen draaide hij zich om en begon terug te lopen in de richting van de ander.