Den Haag vindt het moeilijk details los te laten

Morgen laat staatssecretaris Huizinga de Kamer weten hoe ze de problemen met de ov-chipkaart gaat oplossen. „De politiek moet vaker nee durven zeggen.”

De politiek laat ze niet graag los: de taken en projecten waar het Rijk niet meer over gaat. Gemeenten, provincies en zelfstandige bestuursorganen nemen veel taken over, maar als het misloopt moet Den Haag het probleem oplossen.

Bestuurskundigen signaleren deze zorgwekkende trend. In de politiek is er „een overspannen verwachting gewekt dat een bewindspersoon ieder probleem maar kan oplossen”, stelt hoogleraar Paul Frissen (Universiteit van Tilburg). Er is „een neiging ontstaan dat er niets meer fout mag gaan”, meent Mark Bovens, eveneens hoogleraar bestuurskunde (Universiteit Utrecht).

Dat blijkt met de ov-chipkaart. Morgen presenteert staatssecretaris Tineke Huizinga (Verkeer en Waterstaat, ChristenUnie) haar plan om de problemen met de kaart op te lossen. Vorige maand eiste de Tweede Kamer dat zij haar „verantwoordelijkheid” nam als regisseur van de ontwikkeling en invoering van de ov-chipkaart. Dat officieel de provincies, gemeenten, NS en de regionale vervoersbedrijven de verantwoordelijkheid ervoor dragen kan met name de oppositie weinig schelen. Zelfs de VVD eiste dat Huizinga de regie nam – eerder waren de liberalen nog terughoudend over de sturende rol van bewindslieden.

Een project als de ov-chipkaart is volgens Bovens juist ondergebracht bij regionale overheden om te voorkomen dat bij het minste of geringste probleem er in politiek Den Haag over werd gesproken. De hoogleraar: „Uiteindelijk zie je dat als het misgaat, de minister of staatssecretaris alsnog telkens naar de Tweede Kamer wordt geroepen om verantwoording af te leggen.” Deels is dat volgens hem logisch, bijvoorbeeld omdat er vaak belastinggeld met projecten gemoeid is. In het geval van de ov-chipkaart gaat het om 130 miljoen euro. Tegelijkertijd rijst volgens Bovens de vraag of het parlement niet te snel reageert en zich te veel met details bezighoudt.

Bewindslieden en Kamerleden zouden terughoudender moeten zijn, vindt Frissen. „De politiek moet meer vertrouwen op de veerkracht van de samenleving en zich slechts met hoofdlijnen bezighouden.” Dat er onder ministers, staatssecretarissen en parlementariërs overigens een drang heerst om „overal maar beleid voor te maken”, is volgens de hoogleraar niet gek. „De kiezer”, stelt Frissen, „zit in dezelfde kramp als de politiek. Als er een probleem is, moet het in Den Haag maar opgelost worden. De politiek moet vaker nee durven zeggen.” Wanneer dat niet gebeurt ondermijnt de gedachte dat de politiek alles maar kan sturen uiteindelijk het politieke systeem, vindt de hoogleraar.

Frissen herinnert aan de politieke discussie rondom de Betuweroute. De politici bemoeiden zich volgens hem tot in detail met de spoorlijn en pasten het plan telkens aan. „Uiteindelijk is die hele spoorlijn veel duurder geworden.” Dat had volgens de hoogleraar voorkomen kunnen worden als de Kamerleden zich niet tot in de puntjes met het project hadden bemoeid.

De kritiek van Frissen klinkt herkenbaar. Eerder deze week stelde Kete Kervezee, inspecteur-generaal van de Inspectie Werk en Inkomen, dat de parlementariërs te snel oordelen dat het privatiseren van de reïntegratie van werklozen en arbeidsongeschikten is mislukt. Kamerleden zouden te snel resultaat van genomen maatregelen willen zien. Ook het rapport van de commissie-Dijsselbloem die onderzoek deed naar de onderwijsvernieuwingen sluit aan op Frissens betoog. De politiek had zich tot in het klaslokaal met het onderwijs bemoeid en dat was van de redenen dat het onderwijs in Nederland is verslechterd.

Wat betreft de ov-chipkaart heeft de Kamer zich niet te veel met details bemoeid of te snel gereageerd, vindt Wim Kuijken, secretaris-generaal van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. „Ik ben niet van de school die zegt: waar bemoeit de Kamer zich mee? Wees blij dat de Kamer zich er zo mee bezighoudt. Soms kan één detail wel een héél belangrijk detail zijn.”

Wel vindt Kuijken dat bepaalde fouten bij de overheid gemaakt moeten kunnen worden. De secretaris-generaal haalt als voorbeeld een stuk aan dat een van zijn ambtenaren onlangs naar de Tweede Kamer stuurde, maar nog niet verstuurd had mogen worden. „Zo’n fout kan gemaakt worden, hoe spijtig ook. Dat is soms lastig in de wat onrustige politiek van nu.”

Maar de eis dat fouten maken uitgesloten moet zijn, heeft volgens bestuurskundige Bovens ook invloed op de ambtenaren. De vraag wat voor politieke consequenties bepaald beleid heeft, speelt volgens hem onder topambtenaren – zoals Kuijken – een grotere rol dan voorheen. Dat creëert een defensieve houding bij de departementen, zegt Bovens. „Alles wordt gericht op het minimaliseren van fouten.” Kuijken ervaart dat echter niet zo. Het zijn de ministers of staatssecretarissen die de koers bepalen en de politieke risico’s beoordelen. Hoogstens „adviseert” de ambtelijke top, maar over de politieke gevolgen gaat de bewindspersoon.

Wat belangrijk is, vinden de twee bestuurskundigen, is dat de scheiding tussen bewindspersonen en politici duidelijk is en blijft. Het is de Tweede Kamer die controleert en vraagt om aansturing van een proces, maar de gedetailleerde invulling is aan het ministerie en specialisten. De minister of staatssecretaris moet volgens Bovens dan ook voorkomen „het loopjongetje” van het parlement te worden.

Eerdere artikelen op nrc.nl/chipkaart