De duivel als een simpele olieman

Daniel Day-Lewis kreeg deze week een Oscar voor zijn rol in There Will Be Blood .

Als haatdragende olieman doet hij niet onder voor Mefistofeles uit Faust.

Met een schuchter lachje bekeek Daniel Day-Lewis tijdens de Oscaruitreiking het fragment in There Will Be Blood waar hij een bezeten Daniel Plainview speelt. Het verschil tussen de acteur en zijn personage was enorm en de overbrugging van die kloof leverde Day-Lewis een terechte Oscar op.

Daniel Plainview is de verpersoonlijking van het kwaad. Hij noemt zichzelf eenvoudig „een olieman” als hij met klanten of zakenpartners spreekt, maar hij is de baarlijke duivel. Halverwege de film is er een shot van Plainview die ’s nachts met smeer en stof op zijn gezicht naar een grote brand bij een oliebron tuurt. Zijn zoontje is bij de explosie gewond geraakt, maar Plainview blijft liever in de vlammen staren dan dat hij zich om hem bekommert. De camera zoomt in op zijn gelaat, en dan zie je de klassieke uitbeelding van Mefistofeles uit Faust, met de vegen op zijn gezicht.

Voor zijn vijfde speelfilm baseerde regisseur Paul Thomas Anderson (Boogie Nights, Magnolia) zich vrijelijk op de roman Oil! uit 1926. Schrijver Upton Sinclair wilde er een vlammend portret van het meedogenloze kapitalisme mee maken. In zijn laatste zin klaagt Sinclair de ‘zwarte en boze demon’ aan die ‘over de aarde waart en de lichamen van mannen en vrouwen krom slaat en de landen naar de verdoemenis lokt met visioenen van onverdiende rijkdommen en de slavernij en uitbuiting van arbeiders’.

Anderson heeft die abstracte demon een naam gegeven en Day-Lewis leende hem zijn gezicht.

We zien een onverbiddelijk landschap, drie stompe bergtoppen die als een drietand uit de aarde steken. Dan duikt de camera het binnenste van de bergen in waar Daniel Plainview staat te hakken. In die onderwereld zoekt hij aardse schatten, zilver, olie.

Anderson is nooit bang voor grote gebaren, net zo min als Orson Welles dat was toen hij met Citizen Kane debuteerde. Anderson heeft het kikkers laten regenen in Magnolia en een collectieve loutering van de porno-industrie georkestreerd in Boogie Nights. Zijn verbeelding van die verbeten ploeterende duivel onderstreept hij met grootse camerabewegingen en de dreigende muziek die Radiohead-gitarist Jonny Greenwood componeerde.

Het eerste kwartier van de film verloopt woordloos. Plainview zwoegt in zijn eentje, hij valt in zijn eentje van de ladder, vindt zilver, kruipt weer omhoog, sleept zich naar de stad en laat zijn claim vastleggen. We schrijven 1902.

De film beslaat het eerste kwart van de twintigste eeuw, tot vlak voor de beurskrach van 1929 – het vagevuur van het ongebreidelde kapitalisme. Maar het is niet Plainview die wordt gestraft. Hoewel je zijn laatste woorden in de film – een opgewekt uitgesproken I’m finished – op verschillende manieren kunt uitleggen.

In die drie decennia zien we Plainview zich opwerken met een kind aan zijn zijde dat hij H.W. Plainview noemt en die hij gebruikt om zijn klanten gerust te stellen met de mantra ‘ik geloof in familie’. Het jongetje helpt zijn vader, maar deelt niet diens haat voor de mensheid. Als de Plainviews een boer uitkopen zonder hem te zeggen dat er olie onder het land ligt, vraagt de zoon of ze hem wel goed zullen betalen. „Ik betaal hem landprijzen, geen olieprijzen”, zegt de vader droogjes.

Met de rijkdommen in dat gebied maakt Plainview zijn fortuin. Het levert hem ook de confrontatie van zijn leven op, met de jonge profeet van de Kerk van de Derde Openbaring, Eli, tevens zoon van de genoemde boer. Logisch dat Anderson tegenover de Duivel God stelt, hoewel het portret van deze kerkleider even smoezelig is als dat van de olieman. Achter het onschuldige, gezalfde gezicht van acteur Paul Dano gaat een poel van hebzucht, wrok en arrogantie schuil. Met religie heeft Anderson even weinig op als met het kapitalisme.

Maar de tegenstelling tussen deze twee mannen, die tegen het eind van de film wat al te symmetrisch wordt gemaakt, is niet het meest fascinerende van There Will Be Blood. Dat is de haat die in Plainview gloeit, de achterdochtige, eenzame haat tegen alle mensen die niet van zijn bloed zijn. Zelfs het kind is niet van zijn haat gevrijwaard. Als de jongen hem niet meer tot nut is, en zodra zich een man aandient die zegt dat hij zijn halfbroer is, stuurt Plainview het kind rücksichtslos weg en gaat hij met de broer verder. Tegenover deze broer openbaart hij zijn hartstocht: „Ik wil genoeg geld verdienen om mij van alle andere mensen te bevrijden. Ik heb mijn haat stukje bij beetje opgebouwd.”

Alles bij elkaar is de tweeënhalf uur durende film grimmig, cynisch, soms overdadig, maar steeds fascinerend. „Wij stonden bij deze film allemaal op de schouders van Daniel Day-Lewis”, zei de andere Oscarwinnaar van There Will Be Blood, cameraman Robert Elswit bij zijn dankwoord. Wat de hoofdrolspeler voor elkaar krijgt, is zeker bewonderenswaardig, maar Elswit doet zichzelf en de regisseur daarmee tekort. De stijl, de vloeiende bewegingen van de camera, die zelden stilstaat en die het drama verhoogt door brutaal op hoofdrolspelers in te rijden, is minstens even belangrijk.

There Will Be Blood

Regie: Paul Thomas Anderson. Met: Daniel Day-Lewis, Dillon Freasier, Paul Dano. In: 15 bioscopen.