Voorgoed bovengronds

De zwaar gesubsidieerde kolenmijnen in Duitsland moeten dicht.

Maar de explosieve prijsstijging van kolen geeft de branche nieuwe hoop.

In een nauwe mijnschacht, 1.000 meter onder de grond, zit kompel Detlef (46) op zijn knieën in het gruis. Zijn gezicht is bedekt met roet. De lamp op zijn helm geeft net voldoende licht om een paar meter te kunnen zien. Uit zijn broekzak haalt hij een flaconnetje snuiftabak. „Kun je weer ademen”, zegt hij. Plotseling begint een sirene te loeien. In de verte klinkt gerommel dat snel in volume toeneemt. Het is een rad dat met stalen tanden kolen met veel geraas uit de rotswand schraapt. Mijnstof vult de ruimte.

Als jongen van zestien begon Detlef in de mijnen. Hij zou „nog wel twintig jaar” willen doorwerken. Maar als mijnwerker ga je op je 49ste met pensioen, want het werk is gevaarlijk en ongezond. Detlef behoort tot de laatste 30.000 mijnwerkers die Duitsland nog telt, vrijwel de laatst overgebleven kompels van West-Europa.

Overal gingen steenkolenmijnen dicht. Tegen de goedkope dagbouw in Australië of Venezuela viel niet op te boksen. En al helemaal niet tegen de goedkope concurrentie uit Oost-Europa. In Duitsland bleven de mijnen open. De eigen kolen zijn nog altijd goed voor eenderde van het Duitse kolenverbruik, met name voor de staalindustrie en elektriciteitscentrales. Alles importeren wilde Duitsland niet. Nederland en Groot-Brittannië hadden hun eigen gas en olie. Frankrijk schakelde over op kernenergie, maar daar wilde Duitsland niet aan. Dus bleven kolen over.

Met miljardensubsidies werden de steenkolenmijnen rendabel gehouden. Tussen 1997 en 2007 pompte de Duitse regering er 40 miljard euro staatssteun in. Afgelopen jaar was dat 2,5 miljard euro Beihilfe, 60 procent van de totale inkomsten van de mijnen. Na jarenlang touwtrekken tussen de deelstaat Noordrijn-Westfalen en Berlijn besloot begin vorig jaar de Duitse regering dat aan die Beihilfe een einde moest komen. Ook de Duitse steenkolenmijnen – acht in totaal, allemaal gelegen in het Ruhrgebied en op één na eigendom van Ruhrkohle AG (RAG) – gaan sluiten. Ook de mijn Auguste Victoria waar Detlef werkt.

„Het is niet rationeel om voor eeuwig miljarden euro’s in een industrie te investeren die decennialang niet in staat is geweest internationaal te concurreren”, zegt een woordvoerder van het Duitse ministerie van Economische Zaken in een schriftelijke reactie.

Maar rekent Berlijn niet buiten de waard? Zetten de ontwikkelingen op de mondiale kolenmarkten de onrendabele Duitse mijnen niet opeens in een heel ander perspectief? Gedreven door de energiehonger van opkomende economieën als China en India, stijgt de kolenprijs naar records. In het Australische Newcastle wordt nu 134 dollar per ton betaald (voor kolencentrales), een verdubbeling sinds september vorig jaar.

In Groot-Brittannië is vorig jaar de Hatfield Colliery-mijn in Yorkshire na veertien jaar heropend en weer winstgevend. In Nederland onderzoekt chemieconcern DSM (voortgekomen uit de mijnbouw) samen met de TU Delft of het opnieuw in gebruik nemen van de Limburgse steenkolenmijnen haalbaar is. De Nederlandse mijnen bevatten naar schatting nog 3 miljard ton steenkool. Bij de huidige prijzen heeft dat een marktwaarde van 255 miljard euro.

De mondiale prijsstijging doet Franz-Josef Wodopia, directeur van de Gesamtverband Steinkohle (GVST), de Duitse brancheorganisatie, weer helemaal in de Duitse steenkoolindustrie geloven. „De mijnen zijn nu weliswaar niet rendabel”, zegt hij. Maar als de prijzen zich zo blijven ontwikkelen, dan zouden de Duitse mijnen al in de nabije toekomst weer rendabel kunnen worden, voorspelt hij.

Een illusie? Uiterlijk in 2018 moeten alle acht Duitse mijnen dicht zijn, dit jaar de eerste. De 30.000 kompels – tijdens de Duitse wederopbouw waren het er 600.000 – is vervangende werkgelegenheid beloofd of zij vloeien door leeftijd af. Het ministerie in Berlijn vindt niet dat door de prijsstijgingen het besluit in een ander licht komt te staan. Volgens de woordvoerder ligt de kolenprijs momenteel al op een heel hoog niveau en zijn de mijnen nog aldoor niet rendabel. Vorig jaar importeerde Duitsland steenkool voor een gemiddelde prijs van 67 euro per ton. „De Duitse steenkolenmijnen zijn pas economisch levensvatbaar bij een prijs die bijna drie keer zo hoog is”, zegt hij.

In het wetsbesluit, dat december vorig jaar van kracht werd, is wel een clausule opgenomen die stelt dat de regering haar beslissing kan herzien in 2012. Daarbij wordt gekeken naar nieuwe ontwikkelingen en omstandigheden.

Mocht Duitsland bij zijn besluit blijven, dan rest de vraag waar het zijn vervangende energie vandaan zal halen. Frank Umbach, energiedeskundige bij de denktank Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik (DGAP) die de bondsregering advies geeft over buitenlands beleid: „Als Duitsland zijn mijnen sluit, betekent dat niet dat we minder energie gaan verbruiken. We worden dus afhankelijker van import. Het probleem is dat die import vaak uit politiek instabiele landen komt.”

Daar komt volgens hem bij dat landen met grote voorraden, zoals de Verenigde Staten, die niet zo snel meer zullen opgeven omdat ze, bij de huidige olie- en gasprijzen, worden gezien als „strategische reserves”.

Het ministerie in Berlijn bestrijdt dat. De kolenvoorraden zijn, in tegenstelling tot de mondiale gas- en oliereserves, juist beter verdeeld over de wereld en ze bevinden zich vooral in veilige en stabiele gebieden. Bovendien voert Duitsland een „gediversifieerd importbeleid”, zegt de woordvoerder. Duitsland haalt zijn steenkool uit Zuid-Afrika, Polen, Canada, Indonesië, de VS, Rusland en Australië. Daarmee zou de kans op enig risico zoveel mogelijk verkleind worden.

Wat Detlef ervan vindt dat de mijnen dicht moeten? „Ach, ik heb al vijf reorganisaties meegemaakt.” En tegen de tijd dat de mijnen toch weer zouden opengaan, is hij met pensioen.