‘Sorry, we didn’t bring any drugs’

De Nederlandse gitaarband Racoon presenteert vrijdag zijn nieuwe cd.

Tijdens hun Amerikaanse tournee hoorde de groep voor het eerst het resultaat.

Racoon: „Leuk hoor, zo’n tourtje.” Foto Rob Walbers Walbers, Rob

Natuurlijk is het een droom die uitkomt, zegt Bart van der Weide in november 2007 aan het begin van de eerste Amerikaanse tournee van zijn band Racoon.

Het nummer waarmee ze straks beginnen, Hero In Town, hebben ze zo-even nog voor de hekken van het Witte Huis staan spelen. Hartstikke lachen. ‘Oh, what a guy; you’d better sleep with a gun; the hero is in town.’ Gitarist Dennis Huige: „Ik had mijn reisgitaartje ruim van tevoren uit de tas gehaald. Anders leek ik net een sluipschutter.”

Maar toch. Toen Van der Weide zijn driejarige zoontje aan de telefoon kreeg, „vroeg-ie of ik cowboylaarsjes voor hem wilde meenemen!” Hij zucht. „Ik ben een sentimentele eikel. Dan wil ik echt naar huis.”

Er staan dan nog vijf shows op het programma. Na Washington volgen Philadelphia, Boston en tweemaal New York. Dan zijn er 21 optredens in 24 dagen voltooid, staat er bijna zevenduizend mijl (elfduizend kilometer) op de teller van de tourbus en zijn er onderweg zo’n 250 cd’s verkocht.

En belangrijker: dan moeten behalve het Amerikaanse publiek ook de pers, promotors en producers warm zijn gemaakt voor het Racoon-gevoel. Dat is: met de simpelste middelen de mooiste liedjes maken. Eenvoud is kracht, opsmuk verboden. Huiges akoestische gitaar en Van der Weides kraakheldere zang zijn daarbij allesbepalend. De ritmesectie blijft bescheiden. Bij Racoon verbergt niemand zich achter volume, buitensporig ego of theatrale vaardigheden: bandleden worden geacht zichzelf weg te cijferen voor het hogere doel: Het Ultieme Liedje.

Volgens dat recept werd het derde album, Another Day, (met daarop de hitsingle Love You More) in Nederland platina en zijn sindsdien alle optredens in concertzalen en theaters uitverkocht. Dat geldt nu al voor de eerste shows van het nieuwe album, Before You Leave, dat maandag verschijnt.

Toen Another Day afgelopen herfst ook in de VS uitkwam, bleek het ook daar te werken. „High-quality pop that’s scarily good at times”, juichte USA Today, de grootste krant van het land. „Could this be the best Dutch band since Bettie Serveert? Gruppo Sportivo? Herman Brood? (Name your fave here.)” Een naar Los Angeles verhuisde manager regelde een tour waarin Racoon als voorprogramma van The Lemonheads speelde.

Bassist Stefan de Kroon: „Het zou zonde en dom zijn om onze eerste Amerikaanse release niet op te volgen met een tour.” Van der Weide: „Maar we wilden er niet over gaan opscheppen en eerst maar eens kijken wat er zou gebeuren. Uiteindelijk zijn we ook maar een stelletje boerenkinkels uit Zeeland.”

The Black Cat in Washington blijkt een respectabele concertzaal voor zevenhonderd personen. „We are Racoon from The Netherlands”, roept Van der Weide om half tien ’s avonds. „Sorry we didn’t bring any drugs. Your government wouldn’t let us.” De grappen slaan aan. Een Nederlandse delegatie die vooraan staat, gilt voor en na ieder nummer. Helemaal als Love You More wordt opgedragen ‘aan alle kinderen van de band’ en de regels ‘I’ve been away too long; everyday I miss you more’ tot leven komen. De vijfhonderd Amerikaanse bezoekers reageren gematigd enthousiast. De voorste rij blijft een afstand van vijf meter in acht nemen. Van der Weide: „Thanks for listening to our nagging.”

Terwijl hij het drumstel helpt af te breken, ziet hij dat het publiek dan wel naar de rand van het podium loopt. „Da’s duidelijk. Die kwamen voor The Lemonheads.” Nog voor die band zal beginnen, is Racoon op weg naar het hotel.

Na ruim vier uur rijden doemt Philadelphia op. In hartje Chinatown staat The Trocadero, dat eind negentiende eeuw als opera werd gebouwd, maar verviel tot striptent en uiteindelijk rockclub. De zaal heeft een dubbele ring vol nepgoud en roodleren zittingen. Grijnzend inspecteert Huige het afbladderende kitschplafond. „Precies de goede crappyness.”

Tijd om de setlist te bepalen. „Je merkt dat Amerika een rockland is”, zegt De Kroon. Huige: „Een rustig nummer als Laugh About It hebben we er op den duur maar uitgegooid.” Maar ruigere nummers als What I Mean zijn weer een grotere aanslag op Van der Weides keel. „Ik ben verrot”, zegt hij. „Het wordt passen en meten.”

Halverwege de show besluit hij het toch te spelen. De stem houdt het, en maakt de set tot een volwaardige rockshow. Maar ondanks de goed gevulde zaal blijven de voorste meters wederom onbezet. „Het blijft wennen”, zegt Huige, „maar het is tegelijkertijd ook mooi: met je kloten voor het blok zieltjes winnen.”

Zoals zo vaak ‘sneeuwt’ het weer in de kleedkamer van The Lemonheads. Dando’s manisch depressieve aard en drugsgebruik vormen een ongelukkige combinatie. Dat bleek tijdens de show in St. Louis, toen zijn versterker dienst weigerde. Huige was zo goed die van hem uit te lenen, maar als dank begon Dando deze in elkaar trappen. Reden: het geluid beviel hem niet. De Kroon: „Met Evan, never a dull moment...” Huige: „In Denver kwam hij niet eens opdagen. Toen waren wij headliner.”

Nu de zanger met de rest van The Lemonheads meereist in de tourbus en niet langer apart per vliegtuig, gaat het beter. Al blijft het niveau van de shows grillig. „Die krijgt straks klappen”, wijst Van der Weide op een uitgelaten Lemonheads-fan die vooraan het podium een setlist probeert los te pulken. Halverwege het eerste nummer in Philadelphia wankelt Dando naar de achterkant van het podium, vraagt aan De Kroon om een plectrum, laat die vallen, loopt terug, pakt een handdoek, snuit uitgebreid zijn neus en speelt dan verder. Hij vergeet teksten en als hij geen zin meer heeft om te spelen smijt hij zijn gitaar in het publiek.

„Een paar maanden geleden speelde Paul McCartney hier”, zegt Van der Weide de volgende avond in de fonkelnieuwe Highline Ballroom in New York. Huige: „Als het voor hem goed genoeg is, dan voor ons ook.” Dit keer zit de zaal tot vooraan het podium vol. Met de gebruikelijke bescheidenheid – ‘thank you for not leaving’ – weet Van der Weide de nummers in te leiden en af te kondigen. „Thanks for liking our songs so far. But we have plenty of time to fuck it up. This next song could do the job.” „Ik houd ervan om de underdog te zijn op het podium”, verklaart hij. „En om dan daarna te horen: dat waren schitterende liedjes; ik heb jullie plaat gekocht.”

Achteraf raakt De Kroon aan de praat met een producer die naar eigen zeggen heeft gewerkt met Devo en Steppenwolf. „Ik heb hem maar een cd gegeven. Je weet nooit wat het waard is.”

„You’re Racoon right?” De laatste avond, in Hoboken, nabij Manhattan, vliegt een blond meisje op Bart af en begint hem over zijn haar te aaien. „Dat was op de foto toch wel langer?” De avond in de uitverkochte Maxwell’s staat bol van de melancholie. Tijdens de soundcheck moet geluidsman Brian slikken als hij met een geïmproviseerde soulsmartlap wordt toegezongen: „What a great sound again, we appreciate it man.” Het optreden verloopt rommelig. „Da’s altijd zo”, treurt Van der Weide. „De voorlaatste show is altijd de beste.”

Er moet afscheid genomen worden. Als de zaal sluit, komt de eigenaar tot driemaal toe naar buiten om de luidruchtige, elkaar omhelzende en uitzwaaiende muzikanten tot stilte te manen.

Voor de laatste maal rijdt de Ford naar het hotel. „Leuk hoor, zo’n tourtje”, zegt De Kroon. „Maar we moeten hier gewoon een week heen om goed te netwerken, liefst binnen drie maanden. Eens kijken of we daar subsidie voor kunnen lospeuteren.”