Onfeilbaar vechten is illusie

Ongelukken tijdens gevechten. In andere landen leiden ze nauwelijks tot ophef.

Maar in Nederland wel. Waarom? „We zijn van nature geen oorlogsnatie.”

Een Nederlandse militair in actie in Uruzgan op 2 november vorig jaar. Foto Reuters A Dutch soldier points his gun at an Afghan man who didn't stop on soldiers' warning in a village in Baluchi pass in Uruzgan province November 2, 2007. REUTERS/Goran Tomasevic (AFGHANISTAN) REUTERS

Het liefst hadden vakbonden en partijen in de Tweede Kamer gezien dat minister Eimert van Middelkoop (ChristenUnie) of staatssecretaris Jack de Vries (CDA), beiden van Defensie, vandaag nog in het vliegtuig naar Uruzgan zou stappen. Ze vinden dat één van de bewindslieden de onrust moet wegnemen die ontstaan is na bekendmaking van het onderzoek naar het incident, vorige maand, waarbij twee Nederlandse militairen door vuur van eigen troepen werden gedood.

„Zo’n oproep kan alleen maar in Nederland”, zegt militair historicus Christ Klep. „Het laat zien hoe moeizaam Nederland omgaat met dit soort incidenten. Het is ondenkbaar dat de Spaanse, Britse of Amerikaanse minister van Defensie wordt opgeroepen naar het missiegebied te gaan om daar uitleg te geven.”

Hij verbaast zich over de ophef die is ontstaan onder militaire vakbonden en politici. Het incident kenmerkt volgens hem hoe Nederland met zijn krijgsmacht omgaat. „We hebben nog altijd een ‘arboleger’. We werken met heel harde afspraken en vaste procedures. Dat is vrij uniek in de wereld.”

En als het dan misloopt, zoals met het ‘eigen vuur’, gaat iedereen, van politiek tot vakbond, de schuldvraag stellen en moet liefst morgen de uitslag van een onderzoek klaarliggen, zegt Klep, die jarenlang verbonden was aan het ministerie van Defensie. Hij is auteur van het in 2005 verschenen standaardwerk Van Korea tot Kabul, over de Nederlandse militaire deelname aan vredesoperaties vanaf 1945.

Militairen zeggen zich niet te herkennen in de bevindingen van het Defensieonderzoek. Daaruit blijkt dat op één avond in januari drie friendly fire-incidenten plaatsvonden. Daarbij werden twee Nederlandse en twee Afghaanse militairen gedood. Een Nederlander raakte zwaar gewond aan beide benen. Betrokken militairen vinden dat er te snel conclusies zijn getrokken. Vakbonden denken dat de minister zo snel met een tussenrapport komt „om de Tweede Kamer te sussen”, aldus voorzitter Wim van den Burg van de militaire vakbond AFMP. „Het is politiek voor de bühne, waar militairen niets aan hebben.”

De ophef laat zien dat het denken over de Nederlandse krijgsmacht aan veranderen is, zegt Klep. „We zijn van nature geen oorlogsnatie”, zegt hij. Maar anno 2008 wordt Nederland wél geconfronteerd met gebeurtenissen die onlosmakelijk verbonden zijn met oorlog: bodybags keren terug, er vallen burgerslachtoffers, militairen die per ongeluk op collega’s schieten. Het zijn allemaal dingen die bij een oorlog horen. „Dat is het leerproces waar Nederland op dit moment in zit. Het wordt steeds duidelijker dat onze krijgsmacht er is om te vechten.”

Maar die perceptie heerst volgens hem nog te weinig bij de politiek. Daardoor wordt de kloof tussen ‘Den Haag’ en ‘Uruzgan’ groter, zegt Klep. Dat verklaart een deel van de onrust onder de militairen. Fouten zijn onlosmakelijk verbonden met gevechtshandelingen zoals die in Uruzgan plaatsvinden. Onfeilbaar vechten is een illusie, aldus Klep. De acceptatie moet nog groeien, zegt hij. In Amerika zou lang niet zoveel ophef zijn ontstaan over het eigenvuurincident als nu in Nederland.

De politieke ophef komt ook omdat de missie gevoelig ligt bij politieke partijen. „Er is geen parlement in de wereld dat zich zo druk maakt over wat in het uitzendgebied gebeurt als het Nederlandse.” Tegelijkertijd raken militairen in Uruzgan gewend aan het idee dat er in die provincie gevochten wordt.

Militairen vragen zich af waarom het parlement moet worden geïnformeerd, terwijl ze nog midden in een operatie zitten, zegt Klep. „Een onderzoek dat zo vroeg komt, roept altijd vragen op. Het voldoet niet aan de ultieme waarheidsvraag.”

Dat is het probleem voor Van Middelkoop, zegt Klep. „De politiek zegt: we willen antwoorden, en Van Middelkoop wil die zo snel mogelijk geven.” Vervolgens stuurt de minister binnen een paar weken een Kamerbrief van vier kantjes. „Ja, dan krijg je rapporten die half af zijn, die alleen maar meer vragen oproepen.”

Vakbonden vormen een katalysator in de discussie. Ook dat is typisch Nederlands, aldus Klep. De Nederlandse cultuur zit stevig verankerd in het Nederlandse leger. „Militaire vakbonden zijn het verlengstuk van de Nederlandse poldermaatschappij. In tegenstellig tot landen als Amerika zijn de bonden hier echte belangenverenigingen die hun zegje willen doen bij dit soort kwesties.”

Klep prijst de openheid waarmee Dick Berlijn zo snel met het nieuws naar buiten kwam over het friendly fire-incident, al maakt hij zich zorgen. „Een van de kenmerken van een leger dat steeds professioneler wordt, is dat het zich meer gaat afsluiten. Er heerst steeds meer een houding van: wij zijn hier aan het vechten, en dat hoeft niet iedereen te weten. Kijk naar de commando’s, niemand weet wat die precies doen. Dat is allemaal geheim.”

Als Defensie al besloten heeft een bewindspersoon naar Uruzgan te sturen, zal het departement dit naar verwachting niet openbaar maken. Het is in theorie dus mogelijk dat zeer binnenkort aan het verzoek van de Kamer wordt voldaan.

Pas op het moment dat een bewindsman of vrouw is gearriveerd in Uruzgan, komt dit naar buiten. Volgens Defensie is dat noodzakelijk, om zo de risico’s te verkleinen. Zo wordt voorkomen dat de Talibaan zich kunnen voorbereiden op de komst van een hoogwaardigheidsbekleder door bijvoorbeeld een aanslag voor te bereiden.