Met Gergjev vlinderen de handen mee

Klassiek Concerten: Wiener Philharmoniker/Wiener Staatsoper o.l.v. Peter Schneider en Valery Gergjev. Gehoord: 25 & 26/2 Concertgebouw, Amsterdam.

Verrassend was het niet, het repertoire waarmee de Wiener Philharmoniker deze week de ‘Weense week’ in het Amsterdamse Concertgebouw invulde. Maar wie afkomt op de Wiener, wil ook het repertoire horen waarin dat orkest excelleert. Vorig jaar was dat Bruckners Achtste symfonie met Christian Thielemann. Gisteren leidde Valery Gergjev een programma met werken die hij met het Rotterdams Philharmonisch Orkest én de Wiener al uitvoerde.

Eerder deze maand dirigeerde Gergjev de orkestrale delen uit Berlioz’ ‘symphonie dramatique’ Roméo et Juliette in Wenen en Londen. Dat voorwerk zal zeker hebben meegespeeld in de nu gehoorde detaillering en in het feit dat Gergjev erin slaagde na koud elf seconden het eerste kippenvelmoment te realiseren (omineuze trombones in de Introduction). De glorieuze, donkerbruine Weense strijkersklank – op zich al de historisch hoge entreeprijs van 137 euro waard – gloeide en bloeide in de Scène d’amour, maar toch miste Berlioz soms iets van de transparantie, de ritmische stekeligheid en de contrastwerking die een specialist als Sir Colin Davis bereikt.

De honderd Wiener Philharmoniker, onder wie de vrouwelijke leden nog steeds op de vingers van één hand zijn te tellen, kwamen thuis in Tsjaikovski’s Vijfde symfonie – door Gergjev uit het hoofd en gelijkvloers gedirigeerd. Hier waren orkestklank en stijlgevoel vanaf de openingsmaten in balans, met diepe strijkerszuchten en zwierige houtblazers. De Finale was een klassiek Gergjev-feest: in decibellen reikend naar het maximum en ritmisch zo opwindend dat her en der handen en knieën met Gergjev meevlinderden.

Als tegendeel van Gergjevs temperament presenteerde zich maandag dirigent Peter Schneider: een vakman van het hoogst degelijke soort. Hij leidde de Wiener Staatsoper in een concertante uitvoering van Mozarts Così fan tutte waarin eigenzinnigheden zorgvuldig werden vermeden en zelfs de intrinsieke diepte van de noten glad werd gestreken. Eigenlijk zei de sfeer in de zaal voldoende: hoe geestig Mozart en Da Ponte hun moraalspel ook verpakten, de gulle lach bleef uit.

Dat de muziek soms toch sprankelde, kwam door Angelika Kirchschlager (Dorabella), Laura Tatulescu (een passend schalkse Despina) en de donkere sopraan Ricarda Merbeth (Fiordiligi), vloeibaar mooi in haar aria Per pietà. Maar met twee weinig opwindende baritons van het vaste ensemble van de Staatsoper en een wapperig koortje, was dit geen Così om lang vol van te zijn.