Het stadium van overbodige cursussen is gepasseerd

De hulp die mensen met een uitkering krijgen bij het vinden van werk, is weinig effectief, blijkt uit verschillende rapporten. Maar in de praktijk is al veel verbeterd, zegt de inspectie.

Met reïntegratie valt geld te verdienen. Enkele jaren geleden waren er in Nederland enkele honderden bedrijven die aanboden om mensen met een uitkering te begeleiden bij het zoeken van werk. Nu zijn het er tweeduizend en er komen nog steeds nieuwe bedrijven bij. „Er is een wildgroei aan reïntegratiebedrijven”, zegt Tweede Kamerlid Eddy van Hijum (CDA), „Daar zitten goede tussen, maar er zijn ook cowboys op de markt.”

De Tweede Kamer houdt volgende maand een rondetafelgesprek over reïntegratie. Zowel coalitie- als oppositiepartijen willen weten of de 2 miljard euro die het kabinet jaarlijks voor reïntegratie uittrekt wel effectief wordt besteed. Aanleiding is een rapport dat het ministerie van Sociale Zaken begin deze maand naar de Kamer stuurde. Daarin stond dat de toegevoegde waarde van reïntegratietrajecten niet groot is.

In de Kamer wordt al langer met argusogen naar reïntegratie gekeken. In debatten wordt smalend gesproken over ‘cursusjes navelstaren’. De SP heeft een meldpunt geopend waar mensen hun ervaringen kwijt kunnen. De partij ontving zo’n honderd reacties, waaronder maar drie positieve. „We krijgen schokkende verhalen binnen”, vertelt Kamerlid Paul Lempens. „Mensen worden gedwongen overbodige cursussen te volgen met het dreigement dat ze anders hun uitkering verliezen. Vooral bij de grote bedrijven is nauwelijks sprake van maatwerk.” De SP wil dat de commerciële reïntegratiebedrijven worden opgeheven en dat de begeleiding een taak wordt van de gemeenten.

CDA’er Eddy van Hijum wil dat reïntegratiegeld alleen nog wordt besteed aan trajecten waaraan een baan is gekoppeld. Hij verwijst naar het banenproject van de Overijsselse ondernemer Hennie van der Most, die in samenwerking met het CWI probeert 100.000 mensen via proefplaatsingen aan een baan te helpen. „Dat project laat zien dat er veel geld wordt verspild aan zinloze reïntegratietrajecten. Het kan eenvoudiger en goedkoper.”

Tof Thissen, voorzitter van Divosa, de koepel van sociale diensten, vindt dat de Tweede Kamer niet te snel een oordeel moet vellen. „Ik zeg met de hand op mijn hart: het gaat al veel beter dan een paar jaar geleden.” Hij wijst erop dat de gemeenten pas sinds 2004, toen de Wet werk en bijstand van kracht werd, opdrachtgever zijn van de reïntegratiebedrijven. Thissen: „De eerste jaren waren we met van alles tegelijk bezig. Het CWI en het UWV bestonden net, we moesten onze positie ten opzichte van elkaar bepalen. Tegelijkertijd moest er een commerciële markt voor reïntegratie worden gevormd, dat werd haast een doel op zich. Wij moesten leren om reïntegratie in die markt aan te besteden. Het is nu 2008. Ik zeg: Kamer, alsjeblieft, mogen we de tijd nemen om iets te leren?”

De Inspectie Werk en Inkomen publiceerde verscheidene rapporten over reïntegratie. Inspecteur-generaal Kete Kervezee erkent dat het reïntegratiegeld de afgelopen jaren niet altijd optimaal werd besteed. Maar, zegt ze, hoe kun je ook anders verwachten, na decennia waarin de uitkering centraal stond? „Het is nog maar tien à vijftien jaar geleden, dat mensen die een uitkering aanvroegen zoveel mogelijk met rust werden gelaten. Pas de afgelopen jaren kwam daar verandering in. Nu staat participatie, bij voorkeur het hebben van een betaalde baan, voorop. Het duurt een tijdje voor de uitvoering daarop is aangepast.”

De Algemene Rekenkamer publiceerde in 2004 een kritisch rapport over reïntegratie. „Het was de bedoeling dat iedereen die een uitkering aanvroeg, binnen een jaar een reïntegratietraject zou krijgen”, zegt collegelid Gerrit de Jong. „Dat bleek in 60 procent van de gevallen niet te gebeuren. En de trajecten die wel aangeboden werden, stelden nauwelijks meer voor dan een sollicitatiecursus.”

Margaretha Buurman, die aan de Erasmus Universiteit promoveert op de reïntegratie, zegt dat die eerste jaren een leerproces waren voor de gemeenten en het UWV. „Ze moesten leren om contracten af te sluiten met reïntegratiebedrijven. Vaak waren ze al blij als de aanbestedingsprocedure juridisch in orde was. Pas de laatste jaren zijn ze ook meer inhoudelijk naar reïntegratie gaan kijken.”

„De eerste jaren is vooral het laaghangend fruit geplukt: mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt”, zegt inspecteur-generaal Kervezee. „Dat is achteraf gezien jammer. Die mensen hadden misschien ook zonder traject werk gevonden.”

Buurman bevestigt dat. „Als iemand in de bijstand zit, moet de reïntegratie zo snel mogelijk beginnen, want mensen in de bijstand hebben meestal geen recent arbeidsverleden. Maar als iemand net in de WW zit, kan er beter wat langer gewacht worden. De meeste WW’ers vinden snel zelf werk.”

„Er is nu een hoogconjunctuur, daar moeten we van profiteren”, zegt inspecteur-generaal Kervezee. Iedereen die makkelijk bemiddelbaar was, heeft nu wel werk gevonden. Er moet juist nu een omslag gemaakt worden naar de harde kern van het bestand.”

Juist voor deze groep kan reïntegratie wél een toegevoegde waarde hebben, zegt Frans de Haan, hoofd onderzoek en analyse van de Raad voor Werk en Inkomen, het overlegplatform van gemeenten, werkgevers en vakbeweging. De Haan: „Reïntegratietrajecten hebben vooral toegevoegde waarde hebben voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Langdurig werklozen, ouderen en allochtonen bijvoorbeeld. Die vinden niet snel op eigen kracht werk.”

De Haan vindt dat de toegevoegde waarde van reïntegratie anders moet worden gemeten. „Tot nu toe worden alleen trajecten die direct hebben geleid tot een betaalde baan als effectief gezien. Je zou ook tussendoelen kunnen stellen en meten of iemand een stap dichter bij de arbeidsmarkt is gekomen. Meer dan 40 procent van de mensen die een traject voor sociale activering hebben gevolgd, gaat daarna een traject volgen dat gericht is op werk. Dat is een bemoedigend percentage.”

Ook Gerrit de Jong van de Algemene Rekenkamer vindt dat meer moet worden gekeken naar de effectiviteit op lange termijn. „Als iemand van 45 jaar in de bijstand komt en hij blijft daar twintig jaar in, dan kost dat de gemeenschap veel geld. Waarom zetten wij een deel van dat geld niet in om zo iemand aan het werk te helpen?”

„Waar in de discussie over de effectiviteit van reïntegratie ook nauwelijks over wordt gerept, is het maatschappelijke rendement”, zegt Kervezee. „Maar dat is er wel degelijk. Reïntegratie haalt mensen uit een isolement, geeft ze weer een plaats in de samenleving. Dat is, uit het oogpunt van menswaardigheid, een belangrijk rendement.”

Laatste deel van een tweeluik over reïntegratie. Het eerste deel is te lezen op nrc.nl/economie.