Grondwet moet veel meer bezielen

Deze tijd vraagt om een Grondwet die niet alleen registreert en normeert, maar ook een educatieve, instructieve en bindende functie heeft, vindt Guusje ter Horst.

Deze week is het 25 jaar geleden dat de laatste algemene herziening van de Grondwet plaatsvond. We staan erbij stil met een jubileumviering in een zaal vol geleerden, niet met een volksfeest, trompetgeschal en uitbundige menigten op straat. Met het eerste mogen we ons gelukkig prijzen, het laatste moet ons te denken geven. Want een Grondwet is zo wezenlijk voor een samenleving dat het bestaan ervan niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd.

Hoe valt het gebrek aan enthousiasme te verklaren? Kijkend naar de Grondwet moeten we constateren dat de tekst flets aandoet. Inhoud en structuur gelden als weinig toegankelijk. Sommige grondrechten zijn nogal archaïsch geformuleerd, zoals het recht op vrije meningsuiting in artikel 7 („Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”) en het telefoon- en telegraafgeheim in artikel 13: „Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met inachtneming van hen die daartoe bij wet zijn aangewezen”. Ook zijn veel bepalingen geformuleerd als competentievoorschriften, als bepalingen die de wetgever de bevoegdheid geven regels te stellen.

Om erachter te komen dat Nederland een democratie en rechtsstaat is, moet je wel erg welwillend tussen de regels door lezen en verschillende artikelen in samenhang bezien. Het zijn bijna verborgen boodschappen. Zo is de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in artikel 117, eerste lid, slechts indirect verwoord.

De gebrekkige toegankelijkheid en inzichtelijkheid van de Grondwet zelf ontnemen haar bindend en bezielend vermogen waardoor mensen zich verenigd kunnen voelen.

De vraag is of dat erg is. De vraag is of het anders moet. De Nederlandse historie toont in elk geval dat het anders kán.

Neem bijvoorbeeld de Bataafse Staatsregeling uit 1798, inhoudelijk sterk beïnvloed door de Declaration des droits de l’homme en du citoyen en de Franse grondwet van 1795. De Staatsregeling drukte onder andere door middel van haar preambule en algemene bepalingen het elan uit van het begin van een nieuw tijdperk van ons land, dat veranderde van statenbond naar eenheidsstaat. De Staatsregeling was bedoeld om het „Nationaal Charakter ten goede’ te wijzigen en er zouden ook onder meer ‘Nationale Feesten’ worden ingericht ‘om de broederschap onder de Burgers aan te kweeken, en hen aan de Staatsregeling, aan de Wetten, aan het Vaderland en de Vrijheid te verbinden”.

Maar ook de wijze waarop tegen de Grondwet werd aangekeken, gaf blijk van hoge verwachtingen en enthousiasme. Ik citeer een Staatsblad uit 1815 dat melding maakt van „de gevoelens van onderwerping, verkleefdheid en trouw, die elke burger aan de grondwet verschuldigd is”.

Later, in 1838, stelde Thorbecke in zijn ‘Aantekening op de Grondwet’ dat de Grondwet niet louter een vorm mag wezen, maar een nationale kracht moet zijn.

Er zijn meer voorbeelden van gepassioneerde staatslieden, net zoals er voorbeelden van meer nuchtere staatslieden zijn. En ook vandaag de dag zijn zowel de nuchtere afstandelijke als de gepassioneerde blik kenbaar.

Het kán dus wél anders.

Maar de gepassioneerde staatslieden hebben uiteindelijk niet aan het langste eind getrokken. Het is al lang niet meer gangbaar om in de bewoordingen van Thorbecke over de Grondwet te spreken, of een dergelijke bevlogenheid in de tekst zelf tot uitdrukking te brengen. Of het nu ligt aan de tekst of anderszins: de Grondwet van 1983 leeft niet echt en zij heeft daarmee niet de maatschappelijke betekenis die ze zou moeten hebben. Alle maatschappelijke debatten en vraagstukken die de Grondwet wel degelijk in de kern raken, ten spijt.

Dat moet wat mij betreft anders. Deze tijd vraagt niet alleen om een Grondwet die registreert en normeert maar ook om een Grondwet die een educatieve, instructieve en bindende functie heeft.

De wereld is de laatste decennia erg veranderd. De samenleving is pluriformer en individualistischer geworden. Mensen met een totaal verschillende levenshouding, afkomst en cultuur leven bij elkaar. Samenleven is echter méér dan met elkaar een ruimte delen. Het is ook het delen van spelregels waar we op kunnen terugvallen en waar we elkaar aan kunnen houden. Hoe diverser de samenleving, hoe dringender de vraag is naar wát we met elkaar delen.

In onze samenleving steken regelmatig discussies de kop op over de verhouding tussen grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. De meeste mensen blijken veel belang te hechten aan grondrechten, maar waarderen deze wel verschillend, afhankelijk van culturele, religieuze of politieke opvattingen. De werking van de Grondwet is lang niet altijd krachtig genoeg om spanningen te kunnen kanaliseren. Soms komen verdedigers van de vrijheid van meningsuiting in de verleiding om dit recht anderen te ontzeggen.

De Grondwet wordt er soms te pas en te onpas bij gesleept om een bepaalde politieke argumentatie kracht bij te zetten of ze wordt – om dezelfde reden – juist over het hoofd gezien. Ook lijkt de Grondwet soms aangegrepen te worden om irrelevante verschillen te accentueren en scheidingen tussen bevolkingsgroepen aan te brengen. In een woelige wereld verlangen we naar houvast, en dat verlangen kan mensen uit elkaar drijven, soms – vreemd genoeg – door een beroep te doen op de Grondwet.

Het is een kerntaak van de overheid om verbanden te leggen waar losse eindjes zichtbaar worden. Onze Grondwet kan hierbij helpen. Daarbij moeten we ook nog eens goed kijken naar de inhoud van de Grondwet. Te denken valt aan het opnemen van een preambule, een inleidende en inspirerende tekst die de Grondwet een context en een perspectief biedt.

Maar ook aan bijvoorbeeld een beginhoofdstuk met daarin algemene bepalingen waarin basiskenmerken of -waarden van onze staatsinrichting, rechtsorde en nationale identiteit tot uitdrukking komen. Zoals dat Nederland een democratie en rechtsstaat is, Amsterdam de hoofdstad en Den Haag de regeringszetel.

Het veranderen van de inhoud van de Grondwet alleen is niet voldoende om deze de zichtbaarheid en de kracht te geven die zij verdient. Belangrijker nog is de beleving, de bewustwording en de interpretatie van de Grondwet. In het onderwijs, in de inburgeringcursus en in de wijken. Daardoor krijgt de Gróndwet echt betekenis. En belangrijker nog: daardoor krijgt de sámenleving meer betekenis.

Dit is een ingekorte versie van de toespraak van minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken op het symposium ‘De Onzichtbare Grondwet’ vanmiddag.