God als handelswaar

In Hollywoodfilms hebben evangelisten vrijwel nooit zuivere motieven. Ook de zelfbenoemde profeet Eli niet, in ‘There Will Be Blood’.

Hoewel hij uit de gevangenis is ontsnapt, doet Harry Powell zich met succes voor als godvruchtige dominee. Op de knokkels van zijn linkerhand staat ‘Hate’, op de rechter ‘Love’. De griezelige gladjakker klopt aan bij het gezin van de man met wie hij in de cel zat, en die hem vertelde dat hij een buit van 10.000 dollar heeft verstopt. Als devote dominee wint Powell razendsnel het vertrouwen van de eenzame echtgenote. Hij predikt met zijn handen over Kaïn en Abel, over liefde en haat, maar heeft slechts één doel: geld.

In vrijwel alle Amerikaanse films waarin evangelisten voorkomen, is de Mammon sterker dan God. Bijbelverkopers gaan van deur tot deur, niet om het geloof te verspreiden, maar om geld te verdienen. De zelfbenoemde profeet Eli uit Paul Thomas Andersons There Will Be Blood is bereid zijn God als bijgeloof af te zweren als hij in ruil daarvoor geld kan krijgen van zijn ergste vijand.

In Peter Bogdanovich’ leuke Paper Moon (1973) reist Moses Pray door de bible belt van de VS met een doos bijbels in z’n achterbak. Families die net een sterfgeval hebben gehad, krijgen hem aan de deur. Hij liegt de nabestaanden voor dat de overledene bij hem een bijbel had besteld – met een inscriptie voor de weduwe of weduwnaar. In werkelijkheid selecteert Moses zijn slachtoffers door de rouwadvertenties te spellen. Maar het werkt keer op keer. Voor veel geld verkoopt hij zijn bijbels aan de ontroerde nabestaanden.

Wie denkt dat Moses een cynisch verzinsel van Bogdanovich is, moet maar eens kijken naar Salesman, de documentaire uit 1968 van de filmende broers Albert en David Maysles. Ze volgen vier mannen bij hun pogingen zoveel mogelijk bijbels te verkopen, het liefst de meest luxe editie van 50 dollar. Echte handelsreizigers zijn het, die alle trucs uit de kast trekken om hun waren te slijten: zalvende praatjes, geveinsde belangstelling en doen alsof je ook Iers of Schots bent al naargelang de afkomst van je potentiële klant. De cruciale scène, die een aantal keren terugkeert, is die waarin hun onsympathieke baas aan het eind van de dag vraagt hoeveel ze die dag verkocht hebben.

Schimmige figuren ruiken hun kans zodra ze fanatieke gelovigen voor zich zien voor wie een plek in het hiernamaals belangrijker lijkt dan het leven op aarde. In Frank Capra’s The Miracle Woman (1931) sluit zo’n ritselaar een verbond met Florence Fallon (Barbara Stanwyck). Haar domineesvader is overleden, nadat de kerkgemeenschap hem had ontslagen. Ze rekent hen de dood van haar vader aan. Uit bitterheid en wrok gaat ze ook preken, vooral om de ‘hypocrieten’ geld uit hun zak te kloppen. Ook hier weer trucs, zoals speciaal ingehuurde mensen die doen alsof ze genezen van hun blind- of doofheid door de aanraking van ‘sister’ Fallon. Pas als ze door de liefde voor een man haar bitterheid kwijtraakt, gaat ze weer werkelijk in God geloven.

Het gaat de sympathieke zwendelaar Elmer Gantry niet zozeer om geld in de gelijknamige film uit 1960. Hij is een retorisch natuurtalent, dus waarom zou hij het niet gebruiken om Sister Sharon Falconer te helpen?Hij heeft namelijk een oogje op haar en ziet een manier om nader tot haar te komen. Maar ook Sister Sharon blijkt niet te zijn wie ze voorgeeft. Religie blijkt weer eens niet te vertrouwen. Daarom overleeft ze het ook niet – Hollywood blijft zelf wel moralistisch natuurlijk. Al was het maar omdat daar weer veel geld mee te verdienen is.