Geert, Jan, Femke en de rotte vis

Wat stond Femke Halsema nou precies voor ogen toen ze zich op haar weblog tot ‘Geert en Jan’ (met wie ze Geert Wilders en Jan Marijnissen bedoelde) richtte om die twee te waarschuwen voor vervuiling van het democratische debat? Ze vond het afschuwelijk, schreef ze – en je hoorde het haar zeggen, met dat lieve pleegzuster-bloedwijn-timbre in haar stem – „dat politieke leiders zonder enige terughoudendheid of gêne elkaar uitmaken voor rotte vis”.

Nou, dat moet dus heel erg zijn geweest.

Ik dus verlekkerd terugzoeken hoe Geert en Jan elkaar moeten hebben uitgescholden, want ik had het gemist.

Maar dat viel weer ontzettend tegen. Op een bijeenkomst van z’n partij had Marijnissen volgens de media (waar ze al weken om groot nieuws verlegen zitten) „flink uitgehaald naar de PVV”. Hij had gezegd: „Wilders maakt een ongeoorloofd onderscheid tussen mensen, en dat is pure discriminatie, en levensgevaarlijk.”

Ik las het, en belde links en rechts naar kennissen, vrienden en documentatieafdelingen of die misschien meer wisten, want er was me tenslotte rotte vis beloofd.

Maar nergens. Zonder enige terughoudendheid of gêne had Marijnissen in het kleine zaaltje alleen maar gezegd dat Wilders zich schuldig maakte aan levensgevaarlijke discriminatie, en Femke had ineens de afschuwelijke geur van rotte vis in haar neus gekregen.

Dan maar naar Geert. Geert was boos geworden omdat Balkenende in een interview met de Volkskrant had gezegd dat je niet tegen moslims kunt zijn omdat het moslims zijn. En vanuit zijn verkeerde keelgat had Geert het meteen teruggekaatst: „Balkenende is een beroepslafaard.”

Nou weet ik niet of Femke in de Tweede Kamer wel eens op Wilders en zijn acht handlangers heeft gelet, maar in die kring is het de gewoonte om als het bijvoorbeeld buiten begint te druppelen niet te zeggen dat het gaat regenen, maar onmiddellijk verontwaardigd te roepen dat ze onaanvaardbaar nat dreigen te worden. Noem het een huisstijl. Maar het is ook een kwestie van wennen. Ik betrap me er steeds vaker op dat ik zelf niet meer hoor hoe ze in Den Haag het democratisch debat vervuilen door te zeggen dat ze iets hebben aangegeven als ze bedoelen dat ze iets hebben gezegd.

Is beroepslafaard rotte vis?

Als ik Balkenende was zou ik misschien gekwetster zijn geweest wanneer Wilders me een amateurlafaard had genoemd.

„We moeten elkaar met argumenten bestrijden”, zei Femke, die ter toelichting helemaal naar Nova was gereisd om te herhalen wat ik ook al in de krant had gelezen. „Je moet mekaar niet stigmatiseren.”

Ik begreep haar nóg niet – tenzij ik moest begrijpen dat zij haar honderdnegenenveertig collega’s, ook als die het milieu vervuilen, ook als die vinden dat het ontslagrecht moet worden afgeschaft, ook als die moeten overgeven van een hoofddoekje, ook als die geen vrouwen in de Kamer willen – dat ze die als mens allemaal even graag mag.

Dat is precies waarom ik niet zo erg van politici houd.

Jaren geleden heb ik een poosje mijn geld verdiend bij de VPRO. In die tijd waren er telkens mensen die tegen me zeiden: „Werk je bij de televisie? Dan zul je Willem Duys wel kennen”, wat zoiets is als wanneer ik tegen een conducteur zeg: „Gut, bent u van de tram? Dan kent u Ti-neke Huizinga natuurlijk.”

Het idee dat het ook in Den Haag allemaal één pot nat is, dat ze in de vergaderzaal misschien wel eens van leer trekken, maar dat ze het na afloop altijd samen afdrinken, en dat geen minister mag denken dat de motie van wantrouwen persoonlijk is gemeend – dát bedoel ik als ik wel eens zeg dat de lucht me daar niet helemaal bevalt.

Jan Blokker

Lees de eerdere columns van Jan Blokker via de website nrcnext.nl/blokker