Die Linke en de zorgen van de SPD

In een evenredigheidskiesstelsel moeten democratische partijen heel klemmende redenen hebben om elkaar in verkiezingscampagnes, vooraf dus, van samenwerking uit te sluiten. Zeker, partijen moeten hun profiel laten zien. Maar als zij het programma van andere partijen categorisch uitsluiten dreigen democratische risico’s. Wat te doen bijvoorbeeld als na de verkiezingsdag blijkt dat zonder zulke uitgesloten partijen geen meerderheidscoalitie te maken valt? Dan komt er vaak tóch, na enige bedenktijd en met eerbiedige verwijzingen naar de noodzaak van politieke stabiliteit en bestuurlijke continuïteit, zo’n vóór de verkiezingen nog uitgesloten coalitie. De kiezer mag zich dan bedrogen voelen, wat niet goed is voor zijn oordeel over democratische politiek.

Nederland kent voorbeelden van dit verschijnsel. Zoals dat uit 1972/’73, toen PvdA, D66 en PPR samen het programma Keerpunt ’72 opstelden, waarover – zo beloofden zij elkaar en de kiezers – na de verkiezingen met niemand zou worden onderhandeld. Maar zij haalden samen geen meerderheid, zoals te voorzien was, en moesten na de verkiezingen dus wel degelijk onderhandelen over een regeerprogramma (met KVP en ARP, voorlopers van het huidige CDA). Zo ontstond het kabinet-Den Uyl, dat dus enig bedrog in zijn vormingsgeschiedenis kende. Al ging het chiquer de historie in. Namelijk als een kabinet sui generis.

Ook Duitsland, de grootste economische macht in Europa – in economisch opzicht wordt Nederland soms als de zeventiende Duitse deelstaat aangemerkt – heeft een evenredig kiesstelsel. Ook daar kunnen veto’s vooraf op samenwerking met de ene of andere partij achteraf soms zó onpraktisch blijken, dat zij alsnog worden herroepen. Net als hier zijn in Duitsland de grote volkspartijen (CDU/CSU en SPD) stevig in omvang geslonken. Reden waarom zij na de Bondsdagverkiezingen van 2005 moesten besluiten samen een meerderheidscoalitie te vormen.

Deze grote coalitie van twee bijna even grote partijen leidt een moeizaam bestaan, mede doordat de SPD aan haar linkerkant een gevaarlijke concurrent heeft. Dat is Die Linke, een partij die in de vroegere DDR-advocaat Gysi en de gewezen SPD-voorzitter Lafontaine haar boegbeelden heeft en die handig inspeelt op de onvrede over de ongelijke verdeling van de teruggekeerde economische voorspoed. En die ook handig inspeelt op de verdeeldheid in de SPD over de sociaal-economische hervormingen die in menig opzicht een erfenis zijn van SPD-kanselier Schröder (1998-2005) en diens zogeheten Agenda 2010.

Die Linke, nieuwgevormd uit de Oost-Duitse PDS (een voortzetting van de communistische SED, die de baas was in de DDR) en een linkse, vooral West-Duitse, afsplitsing van de SPD, heeft de afgelopen weken goede zaken gedaan in West-Duitse regionale verkiezingen in Hessen, Nedersaksen en – zondag jongstleden – Hamburg. In Oost-Duitsland was de PDS in alle vijf deelstaten al jaren een sterke partij, met een stemmenaandeel tussen 16,8 (Mecklenburg-Vorpommern) en 28 procent (Brandenburg). Nu is de club in vier West-Duitse regionale parlementen vertegenwoordigd.

Met de opkomst van Die Linke is het politieke landschap sterk veranderd. Zó sterk dat SPD-voorzitter Beck de uitsluiting van Die Linke als (gedoog)partner in West-Duitse deelstaten heeft losgelaten. Deze koerszwenking nú, die in Hessen moet leiden tot de verkiezing in de landdag van een SPD-premier met steun van Die Linke, wordt door velen al ‘woordbreuk’ genoemd. Verdrietig daarover is de rechtervleugel van de SPD, waartoe minister en vicevoorzitter Peer Steinbrück (Financiën) behoort. Steinbrück, die over 2007 na jaren van tekorten een klein begrotingsoverschot wist te bereiken, mag wegens Becks zwenking naar links budgettaire zorgen voor de komende jaren hebben. En slecht nieuws voor de Duitse minister van Financiën is vaak ook slecht nieuws voor Nederland.

De gewezen Duitse ‘eenheidskanselier’ Kohl (CDU, 1982-1998) wist de SPD vroeger aardig te treiteren met zijn zogeheten Rote-Sockencampagnes. In die campagnes viel hij de SPD aan omdat zij in de Oost-Duitse deelstaten coalities aanging met de PDS of gedoogsteun van die partij aanvaardde. Kohls calculatie was dat zijn campagnes weliswaar tot woede van veel Oost-Duitsers en nadeel voor zijn CDU in de vroegere DDR zou leiden, maar ook tot CDU-voordeel in West-Duitsland, waar vijf keer zoveel kiezers wonen en waar de PDS destijds nauwelijks electorale kansen had.

Na de recente doorbraken van Die Linke in West-Duitsland raken zulke calculaties riskant. Meer nog: misschien illustreren die doorbraken een volgende fase in de materiële voortgang van de Duitse eenwording. Een fase die, in Hamburg, zelfs een coalitie van CDU en Groenen mogelijk maakt. Of, zoals de Tageszeitung met gevoel voor de politieke klimaatverandering schreef: een coalitie van operabezoekers.

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.

Reageren kan op nrc.nl/bik (Reacties worden pas openbaar na beoordeling door de redactie.)