De man van de zelfbedrog-techniek

Vanaf morgen is te zien hoe terecht de Oscar voor Daniel Day-Lewis in There Will Be Blood is.

De explosieve acteur houdt van grootse dramatiek en ronkende zinnen.

Je moet er zelf bijna van hoesten, als de ruig bebaarde Daniel Plainview met beitel en pikhouweel in de gruizige steengroeve wolken steenstof laat ontsnappen. De explosieve kwaliteit van Oscarwinnend acteur Daniel Day-Lewis zorgt ervoor dat hij je de hele duur van There Will Be Blood niet zal loslaten. Je krijgt het er steeds benauwder van. Wie is die merkwaardige man met die lange ledematen, die op zoek gaat naar olie, uiteindelijk raak boort en zich ontpopt tot een misantropische oliebaron? Plainview laat nooit het achterste van zijn tong zien. Met zijn dure pak, imposante snor en geaffecteerde Sean Connery-articulatie is hij een man die ontzag inboezemt, terwijl wij ons hoofd breken over zijn ware bedoelingen.

Day-Lewis levert daarmee alweer een monumentale acteerprestatie, die heel knap balanceert tussen realisme, raadselachtigheid en overdrijving. Met name zijn milkshakemonoloog zul je niet licht vergeten.

Daniel Day-Lewis (1957, Londen) stort zich altijd vol overgave op zijn rollen, en dat is nog zwak uitgedrukt. Hij noemt zijn werkwijze ‘de techniek van zelfbedrog’. Dit houdt in dat hij ook buiten de opnames zijn rol blijft spelen. Hij kiest een rekwisiet uit dat hij vervolgens altijd bij zich draagt. Voor The Last of the Mohicans sjouwde hij overal zijn Kentucky geweer met zich mee, zelfs tijdens een kerstdiner. Als Bill the Butcher in Gangs of New York sleep hij zijn messen ook tijdens de lunchpauzes. Voor The Crucible bouwde hij eigenhandig het huis van zijn personage, en voor The Age Of Innocence liep hij maandenlang met eau de cologne en in 19de-eeuwse kleren door New York.

Het leverde Day-Lewis een legendarische status op en vele prijzen. Hij won eerder al een Oscar voor zijn rol in My Left Foot (Jim Sheridan, 1989) als zwaar verlamd, koppig, alcoholisch genie dat met zijn linkervoet poëzie en schilderijen maakt. Op de set van My Left Foot weigerde hij uit zijn rolstoel te komen zodat de tegensputterende crew hem met stoel en al over de kabels moest tillen. Never a dull moment bij Day-Lewis: grootse dramatiek en ronkende zinnen passen bij hem als de glimmende oorbellen die hij zondag bij zijn Oscarspeech droeg.

Hij noemde in zijn dankwoord ‘de vaders en zonen’, een terugkerend thema in Paul Thomas Andersons werk en in There Will Be Blood. Een andere vader-zoonfilm van Day-Lewis is In The Name Of The Father (1993), over de Guildford Four die ten onrechte werden veroordeeld voor een IRA-bomaanslag in Londen.

Na In The Name Of the Father zocht Day-Lewis de luwte op. Hij maakte nog wel The Crucible, naar het scenario van schoonvader Arthur Miller, en de IRA-film The Boxer, maar echt opzien baarde hij pas weer in Martin Scorseses Gangs of New York (2003). Als opperschurk Bill the Butcher had hij een nog grotere snor, bredere bakkenbaarden en hogere hoed op dan in There Will Be Blood.

Geboren als zoon van Cecil Day-Lewis, ooit poet laureate van Engeland, en kleinzoon van Michael Balcon, het hoofd van de Britse Ealing Studio’s, voelde Day-Lewis zich toch meer thuis op de Londense straten, waar hij zich tussen de ruigere kinderen staande moest zien te houden. Ook later op het toneel keerde hij zich af van de klassieken, en speelde liever rauw-realistisch werk. Hij stopte zelfs na 45 minuten abrupt met het spelen van Hamlet nadat hij het bizarre gevoel had dat hij met zijn eigen overleden vader aan het praten was. In tranen verliet hij het toneel, om zich er nooit meer te vertonen.

Na The Boxer trok Day-Lewis zich ook terug uit de filmwereld om in Italië te gaan wonen. Daar raakte hij zo onder de indruk van een paar pasgekochte schoenen dat hij zich het schoenmakersvak eigen maakte. Kan die man werkelijk alles?