Servië in beeld: van gastheer tot agressor

Vraag eens een Serviër naar Kosovo en je hoort over Albanese vluchtelingen die steeds brutaler werden.

Maar dat doen journalisten niet.

Kosovo-Albanezen vieren de onafhankelijkheid in de Kosovaarse hoofdstad Pristina op 17 februari. Foto AP Kosovar Albanians wave flags while celebrating the independence of Kosovo, in Pristina, Sunday, Feb. 17, 2008. Kosovo's parliament declared the disputed territory a nation on Sunday, mounting a historic bid to become an "independent and democratic state" backed by the U.S. and key European allies but bitterly contested by Serbia and Russia. (AP Photo/Visar Kryeziu) Associated Press

Soms is informatie weglaten net zo erg als liegen.

De journalistiek schiet dezer dagen herhaaldelijk tekort in de berichtgeving rond de kwestie-Kosovo. De agressie van Servische burgers naar aanleiding van de onafhankelijkheid van Kosovo is de laatste week voortdurend in het nieuws. Waarom het die Serviërs zo hoog zit, blijft onvermeld.

Door wezenlijke informatie weg te laten ontstaat een scheef beeld van de realiteit.

Precies zo ging het vijftien jaar geleden in de Balkan-crises. Wij journalisten waren niet geïnteresseerd in de achtergronden van Servische sentimenten. Nadat we gezamenlijk hadden vastgesteld dat de Serviërs zich keer op keer de meest agressieve partij betoonden, durfde bijna geen enkele journalist het nog aan een bericht te maken dat als begripvol tegenover Serviërs kon worden uitgelegd. Nu de regio plotseling weer in het nieuws is, schieten we meteen in de oude reflex.

Toen was het gebruikelijk om Servische agressie gedetailleerd te beschrijven, maar wandaden van de andere strijdende partijen onderbelicht te laten. Het leek wel dat alle redacties in Nederland een code hanteerden die grofweg hier op neer kwam: het leed van Bosnische moslims en Kosovo-Albanezen persoonlijk maken, maar de Serviërs louter als agressors portretteren.

Nu doen we hetzelfde.

De afgelopen weken was er nauwelijks een krant, tijdschrift, radio- of televisieprogramma waarin de moeite werd genomen de Servische visie op de gebeurtenissen in Kosovo te beschrijven.

Kortweg komt die Servische zienswijze hier op neer. Van oudsher woont in Kosovo een minderheid van etnische Albanezen. Vanaf 1948 neemt dat aantal fors toe als duizenden Albanezen de dictatuur van Enver Hoxa in eigen land ontvluchten. Zij steken massaal de grens over.

Serviërs geven genereus aan deze vluchtelingen. Servische kleine meisjes moeten bijvoorbeeld van hun moeder een paar schoenen geven ‘voor Albanese meisjes die niets meer hebben’.

De Albanezen leren geen Servo-Kroatisch. De Joegoslavische leider Tito, die op dat moment nog gelooft in een meervolkerenstaat, accepteert de wens voor een eigen Albanese universiteit in Pristina, met Albanese leerboeken en docenten die daarvoor speciaal uit Albanië komen. Gevolg: die universiteit levert duizenden promovendi af die alleen Albanees spreken. In Kosovo is voor hen te weinig werk, met grote werkloosheid en sociale onvrede tot gevolg. De Albanezen krijgen meer kinderen dan de Serviërs (hun geboortecijfer is het hoogste van Europa) en de verhoudingen veranderen snel. Tegelijkertijd verlaten steeds meer Serviërs Kosovo, omdat ze zich bedreigd voelen door de Albanezen.

Het gedrag van Albanezen tegen de Serviërs wordt steeds vijandiger. De lokale Servische bevolking is de agressie zat en maakt zich zorgen om de etnisch-demografische verschuiving in de provincie. Maar dat geluid wordt volledig verstomd door de felheid van Kosovo-Albanezen die massaal de straat op gaan, onafhankelijkheid eisen en de Groot-Albanese gedachte nastreven.

Slobodan Milosevic, op dat moment bezig de absolute macht naar zich toe te trekken, reageert bikkelhard en laat demonstraties met grof geweld uiteen slaan. De autonomie die Kosovo sinds 1974 bij Grondwet geniet, wordt in 1989 teruggedraaid. Elke demonstratie voor de Kosovo-republiek wordt met geweld neergeslagen. Tegelijkertijd voeren Serviërs oorlog in Bosnië en Kroatië.

Door een aantal daden van grove agressie keert de wereldopinie zich tegen de Serviërs. De Kosovo-Albanezen ruiken hun kans en de roep om onafhankelijkheid intensiveert. Inmiddels zijn de Serviërs in Kosovo een minderheid: ruim 70 procent is nu Albanees. Maar Belgrado wil niet opgeven.

Het is 1998. Het Kosovo Bevrijdingsleger UCK begint aanslagen te plegen. Nu reageert Milosevic met omvangrijke politieacties en veel geweld. Duizenden Kosovaren slaan op de vlucht. Er wordt gemoord en geplunderd, dorpen gaan in vlammen op.

Geschokt door indringende televisiebeelden dwingt de NAVO Milosevic met bombardementen op de knieën. Vanaf dat moment heeft Belgrado niets meer te vertellen in Kosovo. Omdat het zich ooit had opengesteld voor vluchtelingen.

Tot zover de Servische visie op de kwestie. Bovenstaande gebeurtenissen zijn opgetekend vanuit Servisch perspectief, maar worden door historici algemeen niet bestreden.

Om dit geluid te horen, hoef je niet naar Servië. Ook in Nederland wonen voldoende Serviërs die dit verhaal kunnen vertellen. Maar: zij worden systematisch niet gehoord. Toen niet, en nu niet.

Journalisten informeren het publiek zeer eenzijdig. De schuldvraag wordt omgedraaid: hoe durven die Serviërs, duidelijk een minderheid, zich te verzetten tegen een overgrote meerderheid die wil waar zij recht op heeft: een eigen staat.

Waarom doen journalisten, met name op televisie, geen poging de andere kant van de zaak te belichten?

Omdat de agressie van de Serviërs, bijvoorbeeld de executies in Srebrenica, zo schokkend waren dat wij hen louter als daders willen zien, en niet als slachtoffers. De wandaden van Arkans Tijgers en de troepen van Mladic worden het Servische volk als geheel aangerekend, en daarmee iedere Serviër als individu. Het valt allemaal samen in de verzuchting van een in Nederland wonende Servische: ‘Wij zijn jullie nieuwe Duitsers’.

Grofweg deelden de media Serviërs in twee groepen in: de grote massa die achter de wandaden stond, en de enkeling die Servië ontvlucht was en zich openlijk tegen het regime had gekeerd. Dat er duizenden Serviërs waren die het militaire optreden fel veroordeelden, maar wel van hun land bleven houden, was te complex en werd vrijwel niet beschreven. De groep werd uitsluitend als homogene entiteit geportretteerd.

Feitelijk werden en worden Serviërs als individu gediscrimineerd. Dat was frustrerend voor de betrokkenen, maar werkte ook polariserend: het verdiepte de kloof tussen Serviërs en andere Europeanen.

In het land zelf versterkte het de vastberadenheid: wij tegen de rest van de wereld.

Nu Kosovo opnieuw in de schijnwerpers staat is de journalistieke reflex dezelfde als vijftien jaar geleden. Alle media beschrijven de felheid van de Serviërs, maar niet de achtergrond ervan.

Serviërs zijn ook een te mooi onderwerp, zeker als ze vooraan lopen bij demonstraties: ze komen vaak agressief over, koesteren militair vertoon, slaan graag journalisten in elkaar en uiten zich bijzonder fel waar het hun natie betreft. Als journalist word je keer op keer uitgenodigd die elementen als hapklare brokken te presenteren, waardoor bij het publiek de indruk ontstaat dat alle Serviërs zo zijn.

Het is niet de verantwoordelijkheid van journalisten om de problemen van deze complexe wereld op te lossen. Niettemin: onze selectieve berichtgeving stimuleert het sentiment dat Servië van Europa vervreemdt. Dat brengt een oplossing van de huidige crisis niet dichterbij.