Oscarwinnaar én echt goed

De Coen-brothers wonnen vier Oscars voor hun film No Country for Old Man.

De huurmoordenaar is dit keer nog enger dan de andere slechteriken uit hun films.

Het kwaad kent vele gedaanten en meestal zijn ze om te lachen. Een aapachtige motorduivel die eruitziet alsof hij zijn uitlaat als haardroger gebruikt. Een sheriff met een zonnebril in plaats van ogen. Een geblondeerde sadist die tranen in de ogen krijgt als als hij naar een soap kijkt en even later zijn handlanger door de takkenversnipperaar haalt.

Als je dan ook nog hoort dat ze namen dragen als Gaear Grimsrud, Jesus Quintana en Garth Pancake, moet je haast wel denken dat deze schoften uit een stripboek komen. Maar nee, ze zijn afkomstig uit de films van Joel en Ethan Coen, waar stripfiguren mens zijn geworden. Zondagnacht wonnen de Coen-broers, Joel (53) en Ethan (50), vier Oscars met No Country for Old Men.

Je kunt van de Coens even goed zeggen dat ze misdaadfilms maken als lachfilms: het is allebei even waar. De combinatie is onweerstaanbaar, maar het evenwicht is precair. Na twaalf films is goed te zien waar het zwaartepunt moet liggen om van een geslaagde Coen-film te spreken: dichter bij het kwaad dan bij het lachwekkende.

Het kwaad is een bijna onmisbaar element in de cinema geworden. Het is al lang geleden dat het in een film bestraft diende te worden. In de Verenigde Staten dienden films vanaf 1930 te voldoen aan de zogenoemde Hays Code, een keuring met een sterk moreel karakter. Eerste punt van de algemene beginselen: ‘Geen film zal worden geproduceerd die de morele standaard verlaagt van degenen die hem zien. Daarom mag de sympathie van het publiek nooit aan de kant van misdaad, wangedrag, kwaad of zonde liggen.’

In de tweede helft van de jaren zestig werd de Hays Code afgeschaft. Daarmee was de dam doorgebroken. Regisseurs als Sam Peckinpah, Arthur Penn en vooral Sergio Leone met zijn spaghettiwesterns maakten films waarin louter schurken rondliepen. En als er eens een Brave Hendrik in was verdwaald, werd die bijna het kader uitgehoond door de ellendige hoofdrolspelers. Met de volle sympathie van het publiek. Opzij Doris Day, hier komt Dirty Harry.

De Coen-broers doen precies hetzelfde. Hun universum bestaat uit kleinere en grotere boeven die allemaal uit zijn op eigen voordeel. Er zit bijna vanzelf iets geestigs in films met en over schurken. Dat zal te maken hebben met het taboe dat daarmee doorbroken wordt; daar wordt het publiek altijd giechelig van. Een man die een vrouw mept – schofterig, schandalig – heeft eerder de lachers op zijn hand dan wanneer hij een man zou slaan.

Dat wil niet zeggen dat de lolligste films van de Coen-broers slechte films zijn. Raising Arizona, hun tweede film, is bijna een slapstick. Een veelpleger trouwt met een politieagente en ze willen dolgraag kinderen. Helaas, Ed, de vrouw, is van buiten een bloementuin, maar van binnen een dorre woestijn. Ze besluiten één baby van een vijfling te ontvoeren. De vader zet meteen een huurmoordenaar op hun spoor. En wat voor één. Randall ‘Tex’ Cobb racet over de wegen op een chopper, met een dubbelloops over zijn schouder. Als hij onderweg een konijntje ziet zitten, knalt hij het al rijdend overhoop.

Heel geestig, maar als kijker kun je niet bang zijn voor een motorduivel die de moeite neemt om konijntjes dood te schieten. Dat is geen griezel, dat is een stripfiguur. Cobb valt in de derde categorie kwaad die de Duitse criticus Georg Seesslen in het oeuvre van de Coens onderscheidde. Macht is het eerste kwaad, meestal uitgeoefend door dikke, oudere mannen achter monumentale bureautafels (de directietafel in The Hudsucker Proxy heeft de lengte van een kleine startbaan). Dan is er het kwaad dat de onmachtigen daar tegenover stellen, omdat zij iets willen hebben dat de dikke machthebbers niet vrijwillig willen geven: een vrouw, een baby, geld, vrijheid. En ten slotte is er het pure kwaad, belichaamd in absurde moordenaars als Cobb.

Chigurh is ook zo’n puur kwade figuur. Hij is de huurmoordenaar zoals die in zoveel Coen-films optreedt, raadselachtig en mythisch. Hij heeft een stripboekachtig moordwapen: een apparaat dat gebruikt wordt om in het slachthuis stalen pennen door de kop van een koe te jagen, heeft Chigurh gekoppeld aan een fles samengeperste lucht. De eerste keer dat hij de loop op het voorhoofd van een slachtoffer zet, is tegelijkertijd doodeng en oergeestig.

Chigurh is levensecht genoeg om enger te zijn dan die andere aartsslechteriken uit het Coen-oeuvre. Geen man die zijn tijd verknoeit met konijntjes. En dat maakt No Country for Old Men tot eindelijk weer een goede Coen-film, na drie beduidend mindere films.

De broers hebben ditmaal voor het eerst een boek tot filmscenario omgewerkt, van Cormac McCarthy. De hoofdpersoon, Llewelyn Moss, heeft geen edele motieven, zijn achtervolgers hebben al helemaal geen edele motieven en zelfs degene die de achtervolgers achtervolgt heeft geen edele motieven. Een enkele grap hebben de broers toegevoegd aan het verhaal van McCarthy. Een man die door een rivier waadt en zijn achtervolgers probeert af te schudden, wordt nagezeten door een hysterisch hollende hond. Dat kun je eng filmen, maar de Coens filmen het zo dat het gehijg van de hond lachwekkend wordt en zijn dood geen pijn doet, maar wel weemoedig stemt.

En weemoedigheid is het thema van de film, zoals de titel al suggereert. De derde hoofdpersoon naast Llewelyn Moss en Chigurh is de oudere sheriff, gespeeld door de gekreukte Tommy Lee Jones, die bij zijn afscheid dit dialoogje met zijn vrouw voert. Vrouw: „Be careful.” Sheriff: „I always am.” Vrouw: „Don’t get hurt.” Sherif: „I never do.” Vrouw: „Don’t hurt no one.” Sheriff, glimlachend: „Well. If you say so.”

In No Country for Old Men zijn de Coen-kwaden weer alle drie aanwezig. En de melancholieke sheriff zorgt dat die perfect in balans zijn. Je zou bijna zeggen dat het goede het kwade overwint, maar nee, dat is weer veel te optimistisch.

No Country for Old Men kreeg vier ballen in nrcnext. Lees de recensie via nrcnext.nl/films