Niet meer van de bevalling naar de OK

Niet-gespecialiseerde gynaecologen zouden geen eierstokkanker meer moeten behandelen, vinden onderzoekers uit Utrecht. ‘Maar gynaecologen vinden opereren aantrekkelijk.’

Floor Vernooij. Foto Evelyne Jacq Europa, Nederland, Utrecht, 22-02-2008 Universiteit Medisch Centrum Utrecht. Voortplanting en gynaecologie. Dr. F.Vernooij, arts onderzoeker, promotie-onderzoek naar behandeling van eierstokkanker. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Hester van Santen

Het scheelt doden als alleen de specialistisch opgeleide, ervaren gynaecologen nog patiëntes met eierstokkanker behandelen. Dat tonen Floor Vernooij en collega’s aan in onderzoek waarop Vernooij volgende week in Utrecht promoveert.

Artsen moeten hun patiëntes doorverwijzen naar de academische ziekenhuizen, of andere grote ziekenhuizen waar gynaecologen met een speciale opleiding werken. Vernooij: „Het concentreren van de behandeling in dit soort settings is beter.”

Eierstokkanker is een moeilijk te behandelen vorm van kanker. Om in een vroeg stadium uitzaaiingen te ontdekken, moet de gynaecoloog overal in de buik weefsel weghalen. Wanneer de kanker verder gevorderd is, wordt het wegsnijden van de tumor zelf moeilijk; daar zijn specialistische technieken uit onder meer de darmchirurgie voor nodig.

Toch kreeg, in de studieperiode van 1996 tot 2003, nog 40 procent van de patiëntes hun behandeling in een relatief klein, algemeen ziekenhuis zonder interne opleiding.

In die ziekenhuizen, ontdekten Vernooij en haar collega’s, schatten gynaecologen de ernst van de eierstokkanker niet goed in (zie grafiek). Daarom geven zij ten onrechte geen aanvullende chemotherapie. Dat is de belangrijkste reden dat de kans om te overleven afneemt.

Peter Heintz, gynaecologisch oncoloog en de promotor van Vernooij: „De operatietechnieken die nodig zijn, behoren niet tot de opleiding van de gynaecoloog. En dit is ook geen werk dat tussen bevallingen door moet gebeuren. Kankerpatiënten moeten behandeld worden door gynaecologen die er fulltime aandacht voor hebben.”

Er zijn, zeggen Heintz en Vernooij, in Nederland genoeg behandelaars voorhanden met voldoende specialisatie. Het zijn gynaecologen die zich vooral in het buitenland bijgeschoold hebben, of die simpelweg ervaring hebben opgedaan door veel vrouwen met eierstokkanker te opereren. Sinds 2001 is er ook in Nederland een tweejarige opleiding.

Heintz: „Maar gynaecologen zijn bang dat het vak uiteenvalt. De chirurgische behandeling van baarmoederhalskanker, van onvruchtbaarheid – dat is de afgelopen jaren allemaal al naar specialistische centra gegaan. Ik denk dat het gesprek over eierstokkanker daarom nu moeilijk is. Mensen vinden opereren ook een aantrekkelijk onderdeel van het vak.”

Toch wordt er sinds enkele jaren al wel meer doorverwezen, tekenen de onderzoekers aan. Rond elk academisch ziekenhuis is de samenwerking met kleinere instellingen intensiever geworden. Specialisten reizen langs ziekenhuizen, of patiënten worden doorverwezen. Heintz: „In een land als Noorwegen is dat al veel langer de praktijk. En de overleving daar hoort tot de beste in Europa.”

Maar in Nederland is er nog geen standaardbeleid. Daardoor lopen de percentages vrouwen die door een gespecialiseerd arts worden behandeld, nog steeds uiteen.

Vrouwen die eierstokkanker hebben, zouden nadrukkelijk moeten vragen of hun behandelaar gespecialiseerd is in gynaecologische oncologie. Ook de regionale Integrale Kankercentra hebben informatie over de beste behandelcentra.

Het belangrijkst is echter, vinden de onderzoekers, dat artsen zelf maatregelen nemen. Heintz: „In Nederland zijn we wat allergisch voor sturing van bovenaf. Misschien kan het via de ziektekostenverzekeraars. Maar het mooist zou het toch zijn als de beroepsgroep zelf zegt: ‘we gaan het anders doen’. De cijfers zijn duidelijk.”