In één ruk de 21ste eeuw in

Sinds Ghaddafi weer salonfähig is, stromen met de petrodollars de buitenlandse investeerders toe. Voor zijn zoveelste sprong voorwaarts.

In het centrum van Tripoli is een horde slopers bezig met drilboren en pneumatische hamers. Grote putten en gaten getuigen van de aan de gang zijnde kaalslag. Op tal van overheidsgebouwen prijkt sinds kort in grote, rode letters het opschrift izala , Arabisch voor ‘met de grond gelijkmaken’. Het is het werk van een leger met spuitbussen rondtrekkende Libische ambtenaren. In het hele land blijken vele honderden gebouwen op dezelfde manier gebrandmerkt.

Al die ingrepen maken deel uit van de met veel tamtam aangekondigde hervormings- en moderniseringspolitiek. Libië is weer open for business, al is het een van bovenaf sterk gecontroleerde en nog aarzelende economische opening, sinds de opheffing van de VN-sancties in 2003. De explosief gestegen olieprijzen zorgen voor een hoorn des overvloeds, en volgens de Libische overheid wordt die overvloed nu aangewend om het land in één ruk naar de 21ste eeuw te brengen.

Maar al die, tot nog toe voornamelijk destructieve, moderniseringsijver roept in Libië ook twijfel op. De zoveelste nieuwe grote sprong voorwaarts die het regime van de Libische leider Ghadaffi met dit programma voorspelt, zorgt niet bij iedereen voor optimisme. Het gros van de nieuwe grote projecten wordt namelijk niet uitgevoerd door Libische, maar door buitenlandse bedrijven die uitsluitend goedkope buitenlandse arbeidskrachten inzetten. Veel contracten gaan naar bedrijven uit de Verenigde Arabische Emiraten, onder meer voor de op een hoog tempo draaiende woningbouw.

Volgens de Libische viceminister van het Volkscomité voor Huisvesting en Openbare werken, Mohammed Shehiwa, zullen er tegen 2012 in Libië meer dan 500.000 nieuwe woningen zijn gebouwd.

Bij de planning en uitwerking van veel projecten zullen dus vooral buitenlandse, zeker ook westerse bedrijven, wel varen. Maar terwijl voor miljarden petrodollars wordt besteed aan deze grote projecten, zoals aan de aanleg van een ‘ecotoeristische’ infrastructuur, is het de vraag of dat de Libische economie structureel ten goede komt. Met name of ook Libische arbeidskrachten in nieuw gecreëerde banen aan de slag zullen kunnen.

Wat komt er bijvoorbeeld terecht van de 65.000 ‘banen van de toekomst’, zoals staat voorgerekend in de fonkelende brochure van Grand Cyrena, het jongste megaproject? De kans dat al die nieuwe banen door Libiërs zullen worden bezet, lijkt gering. De meeste Libiërs krijgen royaal overheidsgeld toebedeeld – afkomstig uit de olie-export – en halen hun neus op voor een baan in de bouw.

Anderzijds is er nauwelijks geïnvesteerd in onderwijs – er is sprake van een chronische onderontwikkeling van het menselijke potentieel. De meeste projecten komen dan ook alleen van de grond dankzij geïmporteerde know how, en als gevolg daarvan is Libië een goudmijn voor buitenlandse bedrijven die er willen investeren.

Sommige waarnemers vinden de manier waarop het allemaal wordt aangepakt beangstigend. „Het hele land lijkt wel een grote bouwput, en het gebeurt allemaal in heel typische stijl, dat wil zeggen zonder dat er iets te merken valt van een algemeen plan of een ontwikkelingsbeleid”, zegt een westerse diplomaat.

Waarom moet er nu in Libië snel zoveel veranderen, vroeg een buitenlandse journalist vorig jaar aan de zoon van de grote leider, Seif al-Islam Ghaddafi. „En waarom niet?”, luidde diens tegenvraag. Seif al-Islam Ghaddafi kreeg er op de persconferentie een publiek mee op zijn hand dat hij zelf had opgetrommeld voor de lancering van het Grand Cyrena megaproject, het – zoveelste – ‘project van de eeuw’.

Deze jongste verandering zal zich voltrekken in Shahhat, een oudheidkundige plek in de ravijnen van de Groene Bergen op 200 kilomter van de Egyptische grens, vlakbij de Middellandse Zee, waar onder meer een groot hotel voor ecotoerisme en een ‘multidisciplinair wereldstudiecentrum voor duurzame ontwikkeling’ zullen verrijzen. Het wereldcentrum zal onderzoek doen naar ontwikkelingsstrategieën die rekening houden met de klimaatsverandering en het behoud van de biodiversiteit, en naar ‘duurzame’ energie (windmolens, biobrandstoffen). „Uniek in de wereld”, zo prees Seif al-Islam dit project aan, dat wordt gefinancierd door Libië en buitenlandse investeerders en wordt ontworpen door de vooraanstaande architect Norman Foster uit Londen in samenwerking met Unesco, de VN-organisatie voor bescherming van cultureel erfgoed.

Aan zee staan in deze streek tal van ruïnes van steden uit de oudheid, plaatsen als Leptis Magna, eens de tweede stad van het Romeinse Rijk. Het onmiddellijke doel van dit megaproject is, zo heet het officieel, het openen van deze afgelegen noordoostelijke regio voor investeringen en het aantrekken van luxetoerisme van over de hele wereld, en daarmee de komst van banen en economische groei.

Joe Stanislaw, directeur van Amerikaanse onderzoeksbureau Cambridge Energy Research Associates (Cera) dat participeert, zegt dat het project „echt revolutionair en uniek is, en een model voor heel het Midden-Oosten. We spreken over gigantische investeringen, meerdere miljarden dollars in de eerste vijf jaar. We hebben financiële toezeggingen van Groot-Brittannië, de EU en ook van Unesco en het Wereldnatuurfonds. Het gaat om een ‘private-public partnership’ waarbij tal van Europese en ook Amerikaanse bedrijven met name uit de duurzame energiesector betrokken zijn.”

Libië kent sinds de staatsgreep van Ghaddafi in 1969 een autoritair bewind van een kleine elite die de mechanismen van de ‘rentenierstaat’ – het uitdelen van de opbrengst van de export van olie en aardgas – en politiek cliëntelisme – het uitdelen van banen – koppelt aan populisme.

Het resultaat is een hiërarchie rondom de leider, waarin macht, prestige en materiële privileges verkregen worden in ruil voor persoonlijke loyaliteit. Die politieke orde wordt verpakt in een mengsel van nationalistische en pan-Afrikaanse ideologieën, aangevuld met elementen uit liberale, socialistische en tribale tradities. Maar met de islam als staatsgodsdienst en de sharia als wet.

Daarbij is sprake van een permanente machtsstrijd en veel afgunst, zowel tussen de stammen en clans als tussen de vele regio's die het land telt. De leider ziet overal bedreigingen voor zijn macht: zoals van de zijde van de ultraconservatieve soefi-orde die de drijvende kracht was achter de door Ghaddafi in 1969 weggejaagde koning Idris. Nu is Ghaddafi beducht voor de politieke eisen van de opkomende nieuwe rijken. Het is volgens analisten dan ook de vraag in hoeverre een grootschalig economisch ontwikkelingsplan met veel buitenlandse investeringen en transparantie wel een echte kans zal krijgen.

In Tripoli wijst Abdel-Ghani, een Libische zakenman, enthousiast op een aantal in de steigers staande woonblokken: „Kijk dat is allemaal geld uit de Emiraten. Zij investeren hier nu massaal. Over vijf jaar zal je Tripoli niet meer herkennen. De economische boom is niet meer te stoppen.”

Is Abdel-Ghani gelukkig met Ghaddafi? „Jazeker. Wij houden van onze leider. Waarom? Kijk maar eens rond. Wij krijgen hier alles: een huis, een eigen auto, een goede baan. De meeste Libiërs vinden Ghaddafi echt oké”, zegt hij. „Jullie doen een auto die erg goed rijdt toch ook niet zomaar van de hand?”

Zie voor Forsters bijdrage aan het Grand Cyrene project nrc.nl/economie