Dromen over welvaart

Door de komst van de consumptiemaatschappij zou alles goed komen, droomden de burgers van de DDR.

Maar die droom had een dubbele bodem.

Door de komst van de westerse consumptiemaatschappij zou alles goed komen, dachten veel Oost-Duitsers in 1989. Dat bleek een misvatting. „Het was een fantasie”, zegt antropologe Milena Veenis. Zij onderzocht waar deze collectieve fantasie vandaan kwam en schreef er een eigenzinnig proefschrift over waarop ze vorige week promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam.

„Op dat enorme enthousiasme voor dingen als bananen en chocopasta, vlak voor en na de val van de Muur, werd in het Westen met minachting gereageerd’’, herinnert Veenis zich. „Voor onszelf geven we wel toe dat consumptiegoederen een grote symbolische betekenis hebben, maar toen de Oost-Duitsers huilend van geluk de West-Duitse winkels betraden, vonden we dat gênant, naïef en oppervlakkig.” Veenis werd er juist door geïntrigeerd.

Beloften over materiële welvaart en consumptie hebben in de naoorlogse geschiedenis van beide Duitslanden een centrale rol gespeeld, zegt ze. „De Amerikanen brachten in West-Duitsland de consumptiesamenleving, en met het welslagen van het West-Duitse Wirtschaftswunder ontstond daar een nieuw vertrouwen in de toekomst en in de samenleving. Ze waren weer iemand.”

In de DDR kwamen de nieuwe socialistische machthebbers ook met uitgesproken materialistische oplossingen: als de economische structuur van de samenleving maar veranderd werd, dan kwam het sociale paradijs er min of meer vanzelf. Aanvankelijk was de socialistische samenleving niet primair gericht op het sterk verhogen van het consumptieve welbevinden van mensen, maar dat veranderde gauw: de DDR dreigde leeg te lopen, want in het Westen nam de materiële welvaart veel sneller toe.

Toen gingen de machthebbers in de DDR hun beloften in toenemende mate afstemmen op het soort beloften dat in het Westen gedaan werd. De Koude Oorlog tussen Oost- en West-Duitsland werd steeds meer op het gebied van de consumptie uitgevochten. Hoge partijleiders zeiden: ‘Over drie jaar zullen wij West-Duitsland op materieel gebied hebben ingehaald.’

En hier begint de meer eigenzinnige kant van Veenis’ analyse: „Het interessante is dat het DDR-regime in het verlengde van die materiële beloften dus ook veel verstrekkender beloften deed: als het materieel beter zou gaan, dan zou het ook in alle andere opzichten beter gaan. Dan zou er sociale harmonie zijn: gelijkheid, solidariteit, geluk. Die gedachte was een fantasie, die door de bevolking werd overgenomen.

„Nu heeft dat soort fantasieën altijd een dubbele bodem. Als je bijvoorbeeld fantaseert dat je een beroemd wetenschapper bent, is dat niet alleen een heel prettige voorstelling, maar zit daar tegelijk een heel ander gevoel onder: de angst dat je misschien wel nooit een succesvol wetenschapper wordt. Of, dat je misschien eigenlijk helemaal niet geschikt bent als wetenschapper. Die angst ontken je heel hard, je roept heel hard dat, als je niet nu al succesvol bent, je het in iedere geval in vijf jaar zult worden.”

Een dergelijke functie had die fantasie over toekomstige materiële welvaart ook, denkt Veenis. Welke angst er dan overschreeuwd werd? Daarvoor moeten we terug in de geschiedenis, naar de jaren vlak na de oorlog. „In Oost-Duitsland was veel kapot, niet alleen materieel, maar ook aan vertrouwen. Door de overgang naar het socialisme ontstond ook nog eens de situatie dat groepen benadeeld werden die voordien bevoordeeld waren, en andersom. Daar bovenop kwam nog een hongersnood die drie jaar duurde. Het beeld dat daarover uit de archieven oprijst, is vrij afschuwelijk: mensen sloegen elkaar de hersens in voor een korst brood.

„Wat in die periode pijnlijk zichtbaar werd, was het inzicht dat ‘de mens een wolf is’(homo homini lupus est): als de situatie materieel maar slecht genoeg is, wordt iedereen elkaars vijand.

„Nou, dat inzicht is natuurlijk fnuikend voor het vertrouwen in elkaar dat nodig is om weer een samenleving te worden. Het was op die voedingsbodem dat die collectieve fantasie over een toekomstige overvloed aan consumptiegoederen kon gedijen. Het negatieve inzicht – dat men elkaar niet kon vertrouwen – werd afgedekt, aan het zicht onttrokken, door een fantasie over hoe ‘we’ zouden zijn als ‘we’ in een welvarende samenleving zouden leven.”

Er was dus sprake van een ‘verknoping’ – zoals Veenis dat noemt – van staatsbeloften met collectieve fantasieën. De vraag ‘wat gebeurt er met mensen als ze onder een dictatuur leven?’ is vaak beantwoord in termen van slachtoffers en daders, van goed en kwaad. Maar dat blijkt volgens Veenis niet zo’n werkbare tweedeling. „Wat een dictatuur met mensen doet is vooral: hun alledaagse bestaan raakt op alle mogelijke manieren verweven met de staat. Dat leidt tot een vorm van aanpassing, corrumpering, hoe je het noemen wilt, die mensen liever niet erkennen.”