Bemiddelen op basis van onderbuikgevoelens

Gesubsidieerde hulp bij reïntegratie lijkt weinig effectief, blijkt uit studies. Maar de praktijk is alweer veranderd, dus niemand weet wat het effect echt is.

Centrum voor Werk en Inkomen in Rotterdam, waar voor mensen die een uitkering aanvragen het reïntegratietraject begint. In 41 procent van de gevallen zonder succes. Foto Walter Herfst Rotterdam, februari 2008 Werkzoekende bij de vacaturebalie van het CWI. Foto: Walter Herfst CWI werkloosheid werkgelegenheid vacatures Herfst, Walter

Het begeleiden van Pauline van Schermbeek (53) naar werk stopte twee weken geleden. Maar een baan heeft ze ondanks tientallen sollicitaties niet gevonden. „Ik heb zeker een jaar verloren met nutteloze trainingen. Ik zat tussen de bijstandsmoeders en WAO’ers op computerles”, vertelt Van Schermbeek, die jaren werkzaam was in de hulpverlening en bijna een studie psychologie afrondde.

Twee zogeheten reïntegratietrajecten en geen baan: dat doet de statistieken over de effectiviteit van reïntegratie geen goed. En die liegen er niet om: slechts 41 procent van de mensen die een reïntegratietraject volgden, kwam binnen twee jaar aan het werk. Dat bleek eind januari uit een evaluatie van het ministerie van Sociale Zaken.

De toegevoegde waarde van het reïntegratietraject is volgens die evaluatie niet zeker en lastig vast te stellen. Sociale Zaken spreekt over „een klein positief effect”. Dat positieve effect is volgens gegevens van de Raad voor Werk en Inkomen zéér klein: uit data van 2005 bleek dat de kans op een baan voor WW’ers van 55 tot 64 jaar maar 2 procent hoger wordt door een traject te volgen. Voor personen van 45 tot 54 jaar is de toegevoegde waarde van reïntegratie zelfs 0 procent.

Deze succespercentages – of beter gezegd faalpercentages – stammen uit 2005. Die cijfers zijn niet meer representatief, zegt Martin Harms, directeur reïntegratie van uitkeringsinstituut UWV. In 2004 werd de individuele reïntegratieovereenkomst ingevoerd, waardoor werkzoekenden een persoonlijk plan konden krijgen. „Men kijkt te ver terug. De collectieve aanbestedingen die toen werden gedaan, bestaan nauwelijks meer.”

Gemeenten en UWV kopen minder ‘bulktrajecten’ in voor hun werkzoekenden sinds in 2004 individuele trajecten werden ingevoerd. Maatwerk moest de weg naar succes worden. En deels lijkt dat te werken, want werkzoekenden die een individueel traject volgen, zijn positiever in hun oordeel dan cliënten in reguliere trajecten.

De aansluiting op wat werkzoekenden nodig hebben, wordt door de individuele aanpak niet per definitie beter. Marc van Hoof, advocaat van de Bijstandsbond in Amsterdam, een belangenbehartiger van bijstandsgerechtigden, weet genoeg voorbeelden. „Een 59-jarige vrouw met veel werkervaring wordt naar een traject voor sociale activering gestuurd. Iemand met zware psychische klachten naar een kookcursus. En als een jongen die geïnteresseerd is in computers een geschikte baan vindt in die branche voor drie dagen in de week, mag dat niet. Die jongen moest plantjes gaan stekken in een fabriek.”

In de praktijk hebben reïntegratieklanten niets over hun traject te zeggen, stelt advocaat Van Hoof. „Alles wordt hun opgelegd.” Maar het negatieve beeld dat de advocaat schetst, is verouderd, zegt Harms: „Werkzoekenden kunnen bij het UWV zelf hun bureau kiezen waar zij hun traject willen volgen.” Wel kan hij zich voorstellen dat werkzoekenden niet direct doorhebben wat hun mogelijkheden zijn. „Ze komen vaak passief binnen, weten niet wat kan.”

Pauline van Schermbeek wisselde na een jaar van reïntegratiebureau. Over haar tweede bureau, 50+ Carrière, is ze wel tevreden, ook al heeft dat nog niet in een vaste baan geresulteerd. Ze kreeg van het bureau geen collectieve trainingen achter de computer, maar ging „jobhunten en gericht op zoek naar vacatures”. Ze heeft „goede hoop” binnenkort aan het werk te raken.

Gaat de keuzevrijheid voor klanten om hun eigen bureau uit te kiezen niet te ver? In de Tweede Kamer doen verhalen de ronde over individuele trajecten waarbij tarotkaarten leggen en cursussen wichelroede lopen deel uitmaken van de weg naar werk. Het ministerie van Sociale Zaken erkent dat er ‘spirituele elementen’ worden gebruikt in sommige trajecten: „Kennelijk deelt het UWV in deze gevallen de visie van de cliënt dat spirituele instrumenten het meeste uitzicht bieden op werkhervatting”, aldus het antwoord van de minister van Sociale Zaken op kamervragen.

Op 19 maart houdt de Tweede Kamer een hoorzitting over het onderwerp, om te horen hoe de controle op de reïntegratiebranche beter kan worden en er meer duidelijkheid over de resultaten kan komen. Die resultaten zouden gemakkelijker te meten zijn als UWV en gemeenten alleen zouden uitbesteden. Maar in de praktijk doen zij de laatste twee jaar ook steeds meer zelf om werkzoekenden aan een baan te helpen.

UWV zet sinds 2005 reïntegratiecoaches in, gemeenten gebruiken steeds vaker ‘klantmanagers’. Daardoor wordt het grensgebied tussen reïntegratiebedrijf en opdrachtgever schimmiger en het meten van succes lastiger. Carmen de Jonge, directeur van de brancheorganisatie van reïntegratiebedrijven Boaborea: „Nu varen gemeenten te veel op onderbuikgevoelens over wat goed is voor de werkzoekenden. Als er zoveel geld in omgaat, moet je wel kunnen laten zien wat je ermee doet.”

Er bestaat geen methode om gemeenten die trajecten voor hun werkzoekenden uitstippelen, te controleren. Gemeenten leggen alleen verantwoording af aan de gemeenteraad. Wim Kuiper, directielid van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten: „Het enthousiasme van gemeenten om de transparantie te vergroten, is tot nu toe teleurstellend.”

In het private deel van de markt is sprake van beperkte zelfregulering, maar die dwingt nog geen meetbaar betere prestaties af. Van de 2.000 bureaus die individuele reïntegratieovereenkomsten uitvoeren, beschikken er maar 97 over het onafhankelijke keurmerk Blik op Werk. Wel doen ongeveer 900 bureaus mee aan de tevredenheidstest van het keurmerk, waaraan opdrachtgevers en werkzoekenden de kwaliteit kunnen aflezen.

Voor het UWV is een zes als tevredenheidscijfer nu voldoende om met een bedrijf in zee te gaan. Is dat niet te mager? „We willen dat wel naar een zeven opkrikken, maar dan sluiten we nu te veel bedrijven uit. Dan maken we de markt in één keer kapot”, zegt Martin Harms, directeur reïntegratie van het UWV. Zijn plan is om in 2009 de zeven als minimale eis te stellen. Ook De Jonge van Boaborea erkent dat de reïntegratiebranche nog volop in ontwikkeling is: „Ook al is het een moeilijk vak, het is van de zotte dat je niet weet waar al dat geld heengaat. Ik zie dat als motivering om hard aan de slag te gaan.”

Dit is het eerste deel van een tweeluik over reïntegratie.