Wiener beginnen met kamermuziek

Klassiek Wiener Woche. Leden van de Wiener Philharmoniker. Gehoord: 24/2 Concertgebouw Amsterdam. Volgende concerten: 25/2, 26/2, 27/2. Res. 020 6718345

Toen de Wiener Philharmoniker in 1940 voor het eerst in ons land optraden, stelde dirigent Willem Mengelberg het ‘indrukwekkend voorbeeld’ van het Weense orkest boven ‘het in de laatste jaren bij ons in zwang gekomen te grove en luidruchtige orkestspel’, waardoor het volgens hem onmogelijk was ‘kleur- en klankrijk genoeg te musiceren.’

In de Wiener Woche in het Concertgebouw, die donderdag begon met een optreden van het Oostenrijkse Hagen Kwartet, laat het beroemdste orkest ter wereld deze week twee keer zijn magnifieke ensemblecultuur horen, in een concertante Cosí fan tutte van Mozart en een concert met Berlioz en Tsjaikovski o.l.v. Valery Gergjev.

Als opmaat speelden orkestmusici uit de Wiener Philharmoniker een gevarieerd programma in de Kleine Zaal met bewerkingen van o.a. Haydn, Strauss jr., Smetana en Ravel in wisselende bezettingen voor dwarsfluit, cello en harp.

In Haydns Trio in G, Hob. XV:15 nam de flamboyante, van origine Franse harpist Xavier de Maistre de rol op zich van de pianoforte. In samenspraak met fluitist Wolfgang Schulz en cellist Franz Bartolomey, liet De Maistre op geciviliseerde doch kleurrijke wijze de verrassende wendingen in Haydns Trio opbloeien als kleine wondertjes. Een beetje geforceerder klonk de combinatie van harp, fluit en cello in de triobewerking van Ravels Sonatine voor piano door Carlos Salzédo, van wie ook de geraffineerde toegift- een bewerking van Golliwogg's Cakewalk uit Children’s Corner van Debussy – afkomstig was.

Verrassend serieus en ingetogen klonken drie lyrische Romances van walskoning Strauss, juweeltjes voor orkest die de Weners speelden in een bewerking voor cello en harp. Tegen de harmonische golfbewegingen die kleurrijk opwelden uit de harp, liet cellist Bartolomey als een ingetogen zanger zijn instrument in alle bescheidenheid opbloeien. Maar tijdens zijn verfijnde lezing van Fauré’s Elégie ontbrak de contrastwerking tussen lyriek en dramatiek.

De Maistre gooide in zijn spectaculaire vertolking van Smetana’s Die Moldau alle remmen los, waarbij zijn stoutmoedig over de snaren dansende handen en zijn wiegende bewegingen met de harp associaties wekten met Noerejev.

Ook fluitist Schulz vergat de Weense etiquette tijdens zijn uitbundige vertolking van de Fantaisie voor fluit en harp (oorspronkelijk viool en harp) van Saint-Saëns, en speelde met de broeierige flair waarmee Wenen ooit walste op de dansmuziek van Strauss jr.