Vlees

Zelden had ik op een doordeweekse middag zoveel bezoekers bij het Haagse Gemeentemuseum gezien. Ze stonden in de rij voor de kassa’s: mannen en vrouwen, veel vrouwen, jong en oud. Vlees verlokt.

Want daar kwamen ze natuurlijk vooral voor, net als ik: het vlees van Lucian Freud. De volgende dag zou er het vlees van Deep Throat zijn, maar daar hoefde je niet voor van huis.

Het vlees van Lucian Freud had ik al op de nodige afbeeldingen gezien, zonder dat ik er hongerig van was geworden. Je moet het zien hangen, bezwoeren kenners me, dan praat je wel anders. Dus dwaalde ik braaf door al die zalen, las geduldig de informatie bij de doeken en keek tot slot naar een film over Freud en zijn trotse modellen.

Daarna was ik nog even onaangedaan als ervoor. Al die zwaargeschapen blote mannen en vrouwen, knap geschilderd, maar er viel zo weinig aan te beleven. Misschien kwam het wel doordat deze mannen en vrouwen zelf ook opgehouden waren iets te beleven. Ze lagen en zaten er volledig passief bij, gevangen in de plooien van hun zo overdonderend vleeskleurige vlees.

Ik maakte nog een ronde door de zalen, nu meer nieuwsgierig naar de nieuwsgierigheid van anderen.

„Ik begrijp eigenlijk niet wat jullie daar nou zo mooi aan vinden”, hoorde ik een vrouw van middelbare leeftijd tegen haar vermoedelijke echtgenoot zeggen.

Ze stonden voor Naaktportret in een rode stoel, een doek dat Dirk Scheringa heeft aangekocht voor zijn museum in Spanbroek. Het zal, dat moet gezegd, zijn waarde meer behouden dan de spitsen die Scheringa tegenwoordig voor zijn voetbalclub koopt, want Freud is de duurste, levende schilder ter wereld. Een reusachtige, naakte vrouw, een hand op haar buik, zat rechtop in een hoge, versleten stoel en vergunde ons een blik in haar onbeschermde vagina. Ze hield haar ogen afgewend, alsof ze niet wilde zien hoe wij toekeken.

„Ach, het is erg goed gedáán”, zei de man.

„Nee, ik bedoel zo’n open vagina an sich.”

„Is het mannelijke zaakje dan wél zo mooi?”

De man vroeg het met enige verbazing en wees vaag om zich heen, doelend op enkele doeken waarop het mannelijke geslachtsdeel erbij lag als een overgeschoten, onappetijtelijke winterwortel in de schappen bij de groenteboer.

„Nou, dat kan nog wel iets ontroerends hebben”, zei de vrouw. „Als hij slap is”, voegde ze eraan toe om misverstanden te voorkomen.

Ik liet hen achter in hun intieme conversatie en wandelde door naar de tentoonstelling van Picasso, verderop in het gebouw. Daar kwam ik, door een wonderbaarlijke speling van het noodlot, spoedig terecht in een vloed van naakttekeningen, door Picasso kort voor zijn dood gemaakt. Zijn vagina’s maakten gelukkig een vrolijker indruk dan die van Freud – sommige leken zelfs te schaterlachen – maar de hoeveelheid had ook hier iets eentonigs.

Ik wil niet zeggen dat ik na deze exposities de eerste jaren geen open vagina meer kan zien, maar voor deze dag had ik het voor mij geschikte quotum ruimschoots gehaald.

Ik nam in het restaurant een sterke kop koffie en keerde gelouterd huiswaarts.