Toen was toen, dus wat eraan te doen?

Politici slaan zichzelf graag op de borst als ze iets goeds hebben gedaan; fouten zijn altijd de schuld van ‘anderen’.

Zo dreigt de onderwijsramp in de doofpot te belanden.

Illustratie Sebe Emmelot Emmelot, Sebe

Twintig jaar onderwijsvernieuwing resulteerde in twintig jaar onderwijsvernieling. Dat is te lezen in het rapport van de commissie-Dijsselbloem. Maar het ziet er nog niet naar uit dat men er de juiste lessen uit trekt.

Je kunt op twee manieren tegen het rapport aankijken. In de eerste plaats doet het verslag van wat er in het verleden is gebeurd. Maar het heeft ook een politieke of staatsrechtelijke kant. En dan wordt er een politiek oordeel geveld.

Nu lopen dat historische en dat politieke oordeel zelden parallel met elkaar. Wij zijn geneigd om dat uit het oog te verliezen. Zo reageren velen op de bedenkelijke kanten van het verleden van de VOC alsof dat een staatszaak is waarvoor het huidige kabinet nog de verantwoordelijkheid draagt.

Maar dan heb je toch echt te maken met iets wat helemaal in het verleden ligt – en is het van een pathetische malligheid om te gaan leuren met je excuses voor de zondes van de VOC. Je biedt je excuses aan voor fouten die je zelf maakte. En daarvan kan met die VOC uiteraard geen sprake zijn.

Maar het omgekeerde komt ook voor. Namelijk dat we een aanwijsbaar en recent politiek falen gaan ‘historiseren’. Met als gevolg dat daar opeens evenmin iemand nog de schuld voor draagt, net zo min als Balkenende voor de Atjeh-oorlog.

Dat zie je met de reacties op het rapport van de commissie-Dijsselbloem. De grote lijn daarin is, tot nu toe, dat men wel het aandeel van Van Kemenade, Ritzen, Wallage en Netelenbos erkent, maar daar dan direct aan toevoegt dat die ook maar de exponenten waren van de tijdsgeest.

Iedereen had in die tijd de meest rare plannen met het onderwijs; niet alleen alle politieke partijen. Ook veel leraren zouden wel wat in die onderwijshervormingen gezien hebben. Moeilijk te geloven, maar het is zo en dus valt Van Kemenade en de zijnen niet zoveel kwalijk te nemen.

Wat we hier zien is karakteristiek voor het historisch oordeel, dat doorgaans mild is en oneindig veel nuances tussen goed en fout kent. Maar waar blijven we dan met ons politieke oordeel? Waar blijven we dan met die zo hoog aangeschreven staande ministeriële verantwoordelijkheid, volgens welke een bewindsman verantwoordelijk is voor vrijwel alles wat er op zijn departement misgaat? En al helemaal voor de majeure beleidsbeslissingen die hij nota bene zelf op stapel zette?

Waarom slaan die bewindslieden zich wel op de borst voor wat zij goed deden – terwijl zij daarbij toch de hulp en steun van heel veel anderen behoefden? En waarom hoor je ineens alleen maar van ‘die anderen’ – die het ook allemaal verkeerd zagen – wanneer hun beslissingen zo dramatisch verkeerd uitpakten als met het onderwijs het geval was? Waarom worden successen politiek beoordeeld en wordt het falen steeds gehistoriseerd?

Tweehonderd jaar geleden ontstonden de eerste zogenaamde ‘complexe organisaties’ – ja, denk maar aan die VOC. En ook toen had men al in de gaten dat die complexe organisaties nu en dan rare dingen uithaalden en dat dan de vraag was wie je daarvoor verantwoordelijk moest houden. Aan het einde van de 18de eeuw verwoordde de eerste Baron Thurlow dat fraai, toen hij over die complexe organisaties klaagde: „They have no body to be kicked and no soul to be damned.”

Onze ministeries zijn van die complexe organisaties. En wij weten ook dat als er niet ergens een ‘body to be kicked’, of een ‘soul to be damned’ is, dat je dan aan de heidenen bent overgeleverd. Vandaar dat wij die ministeriële verantwoordelijkheid hebben. Er kan en mag daarom geen sprake van zijn om die zeer grote fouten van Van Kemenade cum suis te laten verdampen in geschiedkundige subtiliteiten.

Als Donner en Dekker aftraden vanwege de Schipholbrand, dan verdienen Van Kemenade en de rest de nationale schandpaal voor wat zij in het onderwijs hebben aangericht.

Het is in de samenleving gebruikelijk dat mensen voor hun falen worden ‘afgerekend’, met een berisping, met terugzetting of zelfs ontslag wanneer het om iets ernstigs gaat. Dat geldt des te meer voor het publieke domein. Nooit mag de indruk ontstaan dat het gilde van de Haagse politici het falen van een of meer van de eigen collegae met de mantel der liefde bedekt. Hier moet men nog strenger zijn dan in de samenleving.

Aan de ernst van het falen van de bewindslieden die de politieke verantwoordelijkheid dragen voor de rampen in het onderwijs kan men niet twijfelen. Goed onderwijs is van levensbelang voor een natie. Weinig schaadt ons land meer dan een rampzalige onderwijspolitiek.

Bovendien zochten de hier politiek verantwoordelijke bewindslieden bepaald de grenzen op van wat fatsoenlijk en betamelijk is in een democratie met hun niets en niemand ontziende drang om hun plannen te realiseren. De titel van Leo Pricks boek over hun beleid (Drammen, dreigen en draaien) vat het fraai samen. Helaas weigeren die politiek verantwoordelijke bewindslieden tot nu toe nog steeds het boetekleed aan te trekken; nog steeds beweren zij, tegen alle evidentie in, dat hun beleid het juiste was.

Hierin kan en mag men niet berusten. Hier kan geen genade voor recht meer gelden. Politieke zuiverheid en simpelweg fatsoen vereisen daarom dat die politiek verantwoordelijke bewindslieden al hun huidige publieke functies neerleggen, hetzij uit eigen vrije wil (wat men hopen mag), hetzij gedwongen. Al was het maar als zoenoffer voor de tallozen die in het onderwijs door een burn-out, demotivatie of anderszins voortijdig hun baan moesten beëindigen. Waar deze bewindslieden de schuld voor dragen.

Frank Ankersmit is hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis aan de Universiteit Groningen.