Praatpaal

Kort voor zijn dood in 1987, zo hoorden we vorige week, stuurde prinses Juliana Joop den Uyl een briefje, dat zij besloot met de woorden: „Uw oude ‘praatpaal’ Juliana.” Praatpaal tussen aanhalingstekens dus. Waarom?

Ik vermoed omdat Juliana, die beschermvrouwe was van het Genootschap Onze Taal, praatpaal bijna te familiair vond. Of te spreektalig.

Wat onmiddellijk de vraag oproept of praatpaal in de betekenis ‘iemand waar je tegenaan praat’ indertijd nieuw was. Of is het al véél ouder, net zo oud als bijvoorbeeld de schandpaal, een middeleeuws ding waar je maar beter niks mee te maken kon hebben?

Nee, praatpaal behoort tot de woorden die de ANWB aan het Nederlands heeft toegevoegd. Dat gebeurde in 1960. „U vraagt”, schreef een redacteur van het tijdschrift Onze Taal in mei 1960, „of er überhaupt (!) wel eens nieuwe Nederlandse woorden worden gemaakt.”

Kennelijk kwam de vraag van een enigszins vermoeide jager op vreemde smetten in het Nederlands, een jager die niet besefte dat überhaupt in de beginjaren van het genootschap werd gezien als een van de ergste germanismen die je kon gebruiken, vandaar dat uitroepteken.

Er kwamen wel degelijk echt Nederlandse woorden bij, suste de redactie. „Zo noemt men – blijkens een mededeling in De Autokampioen van 7 mei 1960 – de wegenwachtelijke toestellen langs de weg van Den Haag naar Rotterdam: praatpalen.”

Die ‘wegenwachtelijke toestellen’ waren een sprong voorwaarts. Aanvankelijk reed de wegenwacht namelijk een vaste route. Als je met pech langs zo’n route stond, had je mazzel. In 1950 plaatste de ANWB vierhonderd borden langs de wegen met daarop het telefoonnummer dat je moest bellen als je pech had.

Voor de jongere lezers: in 1950 had nog niet iedereen een mobiele telefoon. Sterker nog: er waren toen zelfs nog huizen zonder telefoonaansluiting. Het kon dus béter, vandaar de praatpaal, die aanvankelijk ook wel meldzuil, zuiltelefoon of telefoonzuil werd genoemd.

Er werden er in april 1960 tien geplaatst langs de A13, bij wijze van proef. Die palen stonden in verbinding met wegenwachtstation Pauwmolen in Delft. „Het systeem is nieuw”, meldde de Leeuwarder Courant indertijd. „Het is uniek voor heel de wereld.”

De praatpalen werden langs „het kaalste deel van rijksweg dertien” geplaatst, „waar de behoefte aan kommunikatie het grootst was”, vervolgde de krant. „Aan elke kant vijf, telkens twee tegenover elkaar. Anders zouden mensen gaan oversteken, een bijzonder riskante daad voor mensen zonder zelfmoordplannen.”

Maakten er meteen veel gestrande automobilisten gebruik van de praatpalen? Ja, zo’n duizend per maand. „De proef was dus geslaagd”, aldus de Friese krant, „dat stond als een (praat)paal boven water.”

Er kwamen meer praatpalen – in 1970 stonden ze door heel Nederland – en dus werd praatpaal een door iedereen gekend en door velen gebruikt woord. Het drong door in liedjes („Eens per kilometer kom je een praatpaal tegen / En de vangrail rijdt oneindig met je mee”, zong Neerlands Hoop in 1973), en al snel kreeg praatpaal de overdrachtelijke betekenis ‘iemand bij wie men zijn hart kan luchten’ – zoals Juliana en Joop den Uyl bij elkaar.

Ewoud Sanders