Ondeugendheden

Telkens als het gaat om de vrijheid van meningsuiting, duikt de vergelijking met de Rushdie-affaire op. Begrijpelijk. Maar onterecht. Rushdie schreef een roman, De Duivelsverzen – niet de mooiste uit zijn oeuvre, maar dat is niet relevant. Hij maakte een paar spottende opmerkingen over de profeet die niet echt grappig of nodig waren, maar dat is ook niet relevant.

Hij werd wel ter dood veroordeeld, in februari 1989. Een geweldige discussie deed zich plotseling voor: mag je een romanschrijver met de dood bedreigen die een grapje heeft gemaakt over een of andere profeet? Relativisme, universalisme, grote woorden die gingen botsen.

Tot 1989 was je pas beschaafd als je respect opbracht voor alle culturele gewoonten. Relativisme is een soort gelijkheidsbeginsel, een soort van schouderophalen, kun je ook zeggen: de een doet het zo, de andere doet het zus, een betere of een beste manier is er niet, punt. Dat het ingewikkelder lag, kwam bij niemand op. Mocht je uit een cultuur kunnen stappen? Mocht die cultuur haar volgelingen onderdrukken of met geweld bedreigen? Mocht je bepaalde gewoonten vanuit een andere cultuur bekritiseren? Veel te ingewikkeld, we begonnen er niet aan, we waren beschaafd.

Dat veranderde sinds de fatwa tegen Rushdie. Niks gelijkheid, sommige principes stonden hoger dan andere. Sommige principes waren universeel en onaantastbaar. De vrijheid om gekscherend over een profeet te spreken, de mogelijkheid om kritiek op elkaar te leveren, om misstanden aan te wijzen, dat zijn universele beginselen waar niemand aan mag tornen.

En dan was er in de Rushdie-kwestie ook nog het sentiment dat het om een roman ging. Kunst is de ultieme uiting van menselijke beschaving, kunst is vrij en autonoom en niet onderhevig aan wetten en regels. Kom aan alles, kom aan iedereen, soldaten, bestuurders, priesters en burgers, maar kom niet aan de kunstenaar. Dat deed Khomeiny dus wel en daarmee beging hij een enorme stommiteit. Als één man gingen we om Rushdie staan, zo hoort het ook.

Oké, het relativisme was uit en het universalisme was in, en weer werden we lui. Weer dachten we niet na over de rafelige kantjes van een gedachtegang: nu absolute respect niet meer hoefde, was er absolute vrijheid om maar te roepen wat je wilde, als het maar kunst was. En zelfs als het geen kunst was. Was Ayaan Hirsi Ali een kunstenares? Nee, ze was een politica, maar ze bediende zich van een kunstvorm, een filmpje, gemaakt door een kunstenaar. Ingewikkeld. Kwam haar ook de vrijheid van de kunstenaar toe? Mag iedereen zich kunstenaar noemen om uit hoofde daarvan ongestraft respectloos te zijn? Zo ja, dan mag alles en is er geen verschil meer tussen beschaving en wildernis. Zo nee, dan moet je gaan nadenken over de strafmaat. Berisping? Levensbedreiging?

Ik heb het gevoel dat we de weg zijn kwijtgeraakt. Salman Rushdie schreef nadat de fatwa over hem was uitgesproken en hij ondergedoken zat (en zijn vrienden niet meer vrijelijk kon spreken, niet meer zomaar uit eten kon gaan, niet zomaar ondergoed kon gaan kopen, zelfs zijn echtgenote kwijtraakte omdat hij behoorlijk gek werd van de eenzaamheid), een klein maar schitterend essay met als titel: Is er dan niets meer heilig? Zijn antwoord was: nee. Althans hier in het Vrije Westen niet. Hier doen we niet aan heiligheden. Heiligheid is ononderzoekbaar, onnavolgbaar, niet voor rede vatbaar. Heiligheid is voor mensen die het nadenken hebben opgegeven, of daar domweg niet aan toekomen.

Rushdie bepleitte de absolute autonomie van de rede en de schoonheid. Deugd kwam niet in zijn rijtje voor, omdat hij – dat moeten we nooit vergeten – sprak als een kunstenaar. Kunstenaars zijn de noodzakelijke deugnieten van de samenleving, het tarten van de deugd is hun rol.

Maar bedoelde Rushdie dan dat iedereen maar een deugniet mocht worden? Dat wil ik niet hopen, hoewel je het bij hem nooit zeker weet – daar is hij te ondeugend voor. Zelf denk ik dat beschaving door velen moet worden bewaakt, en door enkelen mag worden getart. Die enkelen, dat zijn onze kunstenaars, soms ook wetenschappers, een enkele keer zelfs journalisten en columnisten, maar daar houdt het mee op.

Politici staan helemaal aan de andere kant van het spectrum, zij zijn de bewakers van de beschaving bij uitstek, dat is de plicht die ze zichzelf hebben opgelegd, zij zijn er voor de orde. Het veroorzaken van wanorde moeten ze aan anderen overlaten. Mocht Hirsi Ali de film maken die ze maakte?

Mag Geert Wilders de film maken die hij dreigt te maken? Nee, ik vind dat politici er niet zijn voor het creëren van chaos. Te simpel gedacht? Misschien, maar soms zit er iets moois in simpelheid.

Eigenlijk zeg ik niets anders dan: laat kunstenaars met rust. En niet iedereen kan pretenderen een kunstenaar te zijn. Politici moeten dat al helemaal niet pretenderen. Kunstenaars gaan over de schoonheid en politici gaan over macht. Dat hebben we ooit met opzet zo geregeld.

Ik vond en vind dan ook dat Ayaan Hirsi Ali moest worden berispt voor de stunt die ze uithaalde met haar filmpje. Haar taak was het aan de orde stellen van misstanden die ze waarnam. Haar taak was niet provocatie en polarisatie. Zij ontpopte zich als een deugniet (zoals nu ook Geert Wilders) en deugnieten horen niet thuis in de politiek.

En dan vind ik toch dat noch Hirsi Ali, noch Wilders met de dood mag worden bedreigd. Ze hebben zich vergist in hun rol, daar hoort berisping op. Nooit, nooit en te nimmer levensbedreiging.

Reageren kan op nrc.nl/ramdas(Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)