Northrop reed in militaire auto

Prins Bernhard was een ijverig lobbyist voor vliegtuigbouwer Northrop. Maar hij bereikte vrijwel niets, concludeert onderzoeker Bert Kreemers.

Prins Bernhard had een nauwe, bijna twintig jaar durende band met de Amerikaanse vliegtuigbouwer Northrop. In 1958 schoot Bernhard Northrop voor het eerst te hulp bij de verkoop van gevechtsvliegtuigen. Hij spande zich in Nederland, bij de NAVO en bij landen als West-Duitsland en Canada in voor de aanschaf van Northroptoestellen.

Dat hij toen lobbyde voor de aanschaf van de Starfighter van het Lockheedconcern (zoals 21 februari in deze krant werd gesteld: ‘Hoe de rode premier de kroon redde’) is onjuist. Bernhard koos juist partij voor Northrop, de concurrent van Lockheed.

Aanvankelijk had hij succes. Minister van Oorlog Cees Staf kaartte in 1958 de aanschaf van de Northrop 156F op aandringen van de prins aan bij de NAVO. Bernhard werd nauwgezet op de hoogte gehouden van de briefwisseling tussen minister Staf en de NAVO waar aanvankelijk enthousiast werd gereageerd.

Zodra de reactie uit het NAVO-hoofdkwartier Den Haag bereikte, was Bernhard er als de kippen bij om de aanschaf van het Northroptoestel ook bij de Canadese minister van Defensie te bepleiten. De briefwisseling tussen minister Staf en de NAVO werd in handen gespeeld van Northrop. Northrop rook een kans om 600-800 toestellen aan de Europese NAVO-bondgenoten en Canada te slijten.

Minister Staf had in zijn brief aan de NAVO een aantal van driehonderd toestellen genoemd. Dat aantal zorgde bij Northrop voor verwarring: was dat nou de totale Nederlandse behoefte of zaten daar ook de voor de Belgische luchtmacht bestemde toestellen bij? Vanuit het Parijse kantoor van Northrop kreeg Bernhard het verzoek de juistheid van deze aantallen na te gaan bij de luchtmachtstaf in Den Haag. Die ging daar gretig op in.

De bemoeizucht van de prins en het opdringerige gedrag van Northrop veroorzaakten echter op den duur irritatie bij minister Staf, die zich over Bernhard beklaagde.

Ook in Bonn stootte Bernhard zijn neus. Hij had met de Duitse minister van Defensie Franz Josef Strauss tijdens een ontmoeting in Las Vegas gewed om een fles champagne, dat de Nederlandse luchtmacht niet zou worden uitgerust met de concurrent van Northrop, de Starfighter. Maar de Duitsers en in hun kielzog Nederland, België en Italië kozen voor de Starfighter. Northrop maakte geen schijn van kans en had de invloed van Bernhard overschat.

Eind 1959 zou in Den Haag over de aanschaf van een nieuw gevechtsvliegtuig voor de Nederlandse luchtmacht worden beslist. De toenmalige minister van Defensie voelde zich door Bernhard onder druk gezet. Minister Visser vond dat hij „snel moest handelen, omdat door de vliegtuigfabrikanten her en der zware invloed werd uitgeoefend om voor het eigen product belangstelling te vinden”. De minister ergerde zich aan „een kwalijke neringziekte van de producenten, die in grote opmaak de publieke opinie en invloedrijk geachte mensen voor hun karretje trachten te spannen.”

Tot die personen met invloed rekende de minister ook Bernhard. Die probeerde Visser nog op andere gedachten te brengen en hem de Northropstraaljager aan te praten.

In het midden van de jaren zestig deed de Nederlandse luchtmacht een beroep op de prins om een onverwachte prijsstijging van het toen aan te schaffen Northrop F-5 toestel ongedaan te maken. Eind 1966 stuurde Bernhard een telegram met het dringende verzoek de oude prijs aan Nederland te berekenen naar de president-directeur van Northrop, die met vakantie op Tahiti was. Op het telegram werd nimmer gereageerd. Nederland besloot toen het roer om te gooien en gunde een Canadese firma, die de F-5 in licentie produceerde, de order. Northrop kon naar deze lucratieve opdracht fluiten.

Op het moment dat prins Bernhard de Duitse minister van Defensie attendeerde op het Cobra-toestel van Northrop (begin 1971), was de besluitvorming over de aanschaf van de de F-4 Phantom van McDonnell Douglas in de afrondende fase. De keuze had zich toegespitst tussen de Phantom en een verbeterde versie van de Starfighter.

Met de president-directeur van Northrop, de enige vertegenwoordiger van Northrop waarmee de Commissie van Drie die het Lockheedschandaal onderzocht heeft gesproken, onderhield Bernhard een hartelijke en innige vriendschap. Bij bezoeken aan Nederland was de Northrop-topman vaak te gast op paleis Soestdijk en kon hij voor zijn afspraken gebruikmaken van een auto van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, een door de prins vervulde functie.

Maar orders voor Northrop zaten er in Nederland niet meer in. In het verre buitenland spande Bernhard zich nog wel in voor de Amerikaanse vliegtuigbouwer. In de jaren zeventig kreeg Northrop op voorspraak van Bernhard voet aan de grond bij de Sjah van Perzië, die tweehonderd Cobra-gevechtsvliegtuigen van Northrop wilde aanschaffen. Maar ook die order ging uiteindelijk niet door. De Cobra, een project waar het Nederlandse ministerie van Defensie in 1973 dertig miljoen in wilde stoppen, werd in de ontwikkelingsfase afgebroken.

Bernhard was een ijverige, wellicht duurbetaalde, maar in ieder geval niet erg effectieve pleitbezorger van Northrop.

Bert Kreemers hoopt dit jaar te promoveren op onderzoek naar de aanschaf van Nederlandse gevechtsvliegtuigen.