Een beetje kapitein verdient twee ton per jaar

Rederijen floreren, maar hebben grote moeite om hun schepen te bemannen. „Reders ronselen in blinde paniek zeelieden, die weinig tot niets weten van het vak.”

Wie Rotterdam binnenrijdt, moet binnenkort niet vreemd opkijken als hij op een billboard stuit voorzien van een niet-alledaagse noodkreet: Zeebenen gezocht! Verdiensten tot 20.000 dollar per maand. „En misschien moeten we er ook bijzetten dat zo’n mbo’er bijna de helft van het jaar thuis op de bank kan zitten bij zijn gezinnetje.”

Erik Hietbrink (56) is directeur van het Scheepvaart en Transport College (STC) in Rotterdam. Campagne op campagne heeft zijn onderwijsinstelling de afgelopen jaren gevoerd, in een poging de oplopende arbeidstekorten in de maritieme sector tegen te gaan. Met wisselend succes. „Het druppelt, maar het stroomt niet, en dat zou wel moeten.”

Mede op verzoek van het Rotterdamse stadsbestuur schreef Hietbrink onlangs een rapport, waarin hij met behulp van onafhankelijke bronnen een asgrauw beeld schetst van de nabije toekomst. Zowel in de scheepvaart- als in de transportsector zullen de oplopende personeelstekorten de komende jaren „een ontwrichtende uitwerking” hebben, concludeert hij. „Ik overdrijf niet als ik zeg dat het twaalf uur is geweest.”

Niet alleen in Nederland, ook daarbuiten. Neem Noorwegen. Uit cijfers van een Brits onderzoeksinstituut blijkt dat de Scandinavische zeevaartnatie op dit moment worstelt met een tekort van maar liefst 16.000 officieren op de zeevaart. Terwijl de vraag naar personeel de komende jaren alleen maar zal toenemen zal het aanbod van hoogopgeleiden gestaag dalen. Het wereldwijde tekort aan gekwalificeerd zeevaartpersoneel zal, aldus de voorspellingen, in 2015 zijn opgelopen tot 36.000 officieren.

„De orderportefeuilles van de scheepswerven zitten de komende jaren tjokvol, maar de vraag is: wie gaat al die moderne schepen bemannen”, zegt Hietbrink. „Europa heeft de mankracht niet en ook elders wordt het steeds lastiger om gekwalificeerd personeel te vinden. Gevolg is dat reders in blinde paniek zeelieden ronselen, die bij gebrek aan scholing weinig tot niets weten van het vak. Met alle ecologische risico’s en gevaren van dien.”

Te lang hebben de reders gedacht dat de markt zijn werk wel zou doen, zegt Hietbrink. „We pikken wat personeel van de buurman, we boren nog eens een nieuwe bron aan en we zijn klaar, dat was de gedachte.” Maar ook overheden hebben de laatste decennia te weinig oog gehad voor „het nut en de noodzaak van gedegen zeevaartonderwijs, zeker op de langere termijn”, zegt Hietbrink.

Daarnaast wordt de sector geplaagd door een hardnekkig vooroordeel: werken op een schip of in de haven zou zwaar en smerig zijn. „En jaarlijks een paar weken van huis zijn, dat blijkt de huidige generatie ook af te schrikken”, heeft Hietbrink gemerkt. Aan de verdiensten kan het in elk geval niet liggen. „Een beetje kapitein kan vandaag de dag een slordige twee ton per jaar verdienen.”

In een sector waar groot denken hand over hand toeneemt, signaleert Hietbrink. Ook dat noemt hij een zorgelijke trend. „Bij windkracht 11 en golven van twintig meter hoog is aan boord van zo’n reusachtige tanker de verleiding groot om te denken: daar vaar ik wel eventjes dwars doorheen. Nou, mooi niet dus. De elementen drukken de voorplecht zo naar binnen. En dan ga je, inclusief lading en bemanning.”

Met de maritieme kennis is het wereldwijd nu al bedroefd gesteld, benadrukt Hietbrink. „Het holt achteruit.” Als voorbeeld noemt hij het Chinese schip, dat begin deze maand vastliep bij de Maasvlakte. „Het is inmiddels ruim dertig jaar geleden dat ik zelf heb gevaren, maar één ding ben ik nooit vergeten: bij zwaar weer moet je vooral niet laag voor de wal gaan ‘pierewaaien’. Dat is vragen om problemen.” Rotterdam mag nog van geluk spreken. „Was het een flinke gastanker geweest die een smak had gemaakt, dan hadden jij en ik hier vermoedelijk nu niet gezeten”, zegt Hietbrink in zijn kantoor op de veertiende verdieping, op de kop van de Lloydpier in Rotterdam. Vanuit zijn werkkamer kijkt hij links uit op de stad, rechts op de haven, die nog altijd te boek staat als de grootste van Europa.

Voor hoelang nog? Het Rotterdamse stadsbestuur schuift binnenkort met drie wethouders, Geluk (Onderwijs, CDA), Schrijer (Werk, PvdA) en Harbers (Haven en Economie, VVD), aan bij Hietbrink voor het opstellen van een crisisplan, nadat het voltallige college onder leiding van burgemeester Ivo Opstelten in oktober al op bezoek was. Harbers deelt Hietbrinks zorgen over de oplopende arbeidstekorten en het groeiende gebrek aan kennis. Hij spreekt van „het grote, maar verborgen probleem van onze haven”.

Gelet op de jeugdige bevolkingssamenstelling van Rotterdam (bijna een kwart is jonger dan dertig jaar) zou het niet moeilijk moeten zijn om jongeren te werven. Maar met name de allochtone jeugd (62 procent) heeft weinig tot geen affiniteit met de scheepvaart, weet Hietbrink na talloze, vergeefse pogingen die groepen te interesseren. „Het heeft vooral te maken met afkomst. Turken en Marokkanen in Nederland hebben hun wortels overwegend in gebieden die niet aan zee liggen: Oost-Anatolië en het Rifgebergte.”

Harbers wijst daarnaast op een historische oorzaak. „Als deze jongeren al affiniteit hebben met de haven, dan is dat vaak in negatieve zin. Of hun vader heeft er gewerkt of een oom, en die hebben in de jaren zeventig vuil en smerig werk moeten doen. Dat is anno 2008 een achterhaald beeld, maar toch: ze lopen met een grote boog om de haven heen.”