De ramp begon nog veel eerder

De commissie-Dijsselbloem heeft onderzocht hoe in de afgelopen twintig jaar het onderwijs is verpest.

Het werkelijke begin van alle ellende zijn ze vergeten.

De commotie over het rapport van de commissie-Dijsselbloem met betrekking tot de twintig jaar lange achteruitgang van het onderwijs in Nederland is groot. Explosief bijna.

Dat verbaast niemand. Iedereen die in Nederland onderwijs heeft genoten, of zijn kinderen naar school heeft zien gaan, is deskundige op het gebied van de onderwijsproblemen.

De commotie had echter nog vele malen groter kunnen – en moeten – zijn, als de onderzoekers zich nog verder in het verleden hadden verdiept. De teloorgang van het onderwijs werd namelijk al veel eerder ingezet – met de invoering van de Mammoetwet in 1968, onder bewind van toenmalig minister van Onderwijs Jo Cals. Toen werd de basis gelegd voor de later zo desastreus verlopen onderwijsvernieuwingen.

Zo werd de ‘brugklas’ ingevoerd en het aantal eindexamenvakken teruggebracht tot zeven. Wie echt een bolleboos was, mocht nog wel in een achtste of zelfs negende vak examen doen, maar alleen officieus, want de resultaten telden niet – bijvoorbeeld bij de loting voor een plaats op een medische faculteit. Het enige pluspunt was toen nog dat de inhoudelijke kwaliteit van de vakken in eerste aanzet niet afnam; er werd in meer uren ook echt meer stof behandeld dan voor de Mammoetwet. Maar dat is tegenwoordig anders.

Zelf behoor ik tot de eerste lichting van deze eerste, grote omwenteling in het Nederlandse onderwijsstelsel. Ik herinner me nog goed hoe je in de derde en vierde klas al werd geacht ingrijpende beslissingen te nemen voor de rest van je leven door op visionaire wijze je vakkenpakket samen te stellen. Uit die tijd is ook de term ‘feestpakket’ afkomstig – veel scholieren kozen vakken waarmee je op je sloffen eindexamen kon doen.

Achteraf bekeken moet dan ook worden geconcludeerd dat met de invoering van de Mammoetwet begonnen is met het opofferen van de inhoud van het onderwijs aan politieke doelen. Om tot die conclusie te komen, hoeft geen ‘commissie-Lindo’ in het leven te worden geroepen. De slogan destijds zegt genoeg: ‘Kennis maakt macht’.

Waarom wordt de periode tot aan 1968 eigenlijk – opzettelijk of onbewust – buiten beschouwing gelaten? Ten eerste misschien omdat betrokken politici, ambtenaren en overige beleidmakers niet langer actief zijn, of zelfs al dood en begraven. Maar waarschijnlijk ook omdat de huidige verantwoordelijke beleidsmakers, ambtenaren, politici en ministers voor een groot deel product zijn van de onderwijsvernieuwingen destijds. Ze zien hoeveel slechter het ná hen is geworden en zien niet hoeveel vakinhoudelijker het onderwijs vóór hen was.

De Nederlandse dichter Jacques Bloem schreef het al: „Elke verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering”. Er zullen er vast nog vele volgen, helaas.

Philip Lindo heeft historische wetenschappen gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en werkt nu als pr-medewerker bij een theatergroep.