‘Aan de top blijven, maar ook laagdrempelig zijn’

Het Amsterdamse Concertgebouw presenteert deze week het eigen aanbod met 400 concerten in het volgende seizoen. De belangstelling is altijd groot, maar blijft dat zo?

Kasper Jansen

Al jaren is het Amsterdamse Concertgebouw de drukst bezochte concertzaal ter wereld met meer dan 800.000 bezoekers. En 850 concerten per jaar is ook een wereldrecord. Maar het concertpubliek kan vergrijzen en bij gebrek aan jonge geïnteresseerden geleidelijk verminderen. Een aantal media heeft al steeds minder aandacht voor klassieke muziek. En de overheid vermindert niet alleen de subsidies maar bemoeilijkt soms juist ook een commerciële aanpak.

Simon Reinink, sinds 2006 directeur van het Concertgebouw, ziet die ontwikkelingen als eerste. „Ons succes is niet vanzelfsprekend. We moeten ons inspannen om de zalen vol te houden. Maar we gaan niet populariseren of op alle mogelijke manieren proberen de zaal te vullen. Het Concertgebouw heeft een belangrijke positie in de klassieke muziek, in Nederland en in de wereld.”

Reinink keert zich tegen pessimisme. „We treden de problemen positief tegemoet, vanuit de kracht, die wij hebben. We hebben een van de mooiste concertzalen met een wereldberoemde akoestiek in de Grote Zaal, een wereldberoemd orkest dat onze naam draagt, en een prachtige Kleine Zaal voor de kamermuziek. Na de recente restauraties is alles in topconditie.”

De directeur van Het Concertgebouw NV – particulier eigendom – spreekt als een topmanager. Het Concertgebouw, twaalf maanden open per jaar dankzij de Robeco Zomerconcerten, heeft bijna veertig procent van de Nederlandse klassieke muziekmarkt in handen. Reinink werkt ook als ondernemer en pakt de problemen die het toekomstige succes bedreigen zo veel mogelijk zelf actief aan.

„De bevolkingssamenstelling verandert in rap tempo. Zestig procent van de Amsterdamse jeugd heeft een niet-westerse achtergrond en heeft daarom niet vanzelfsprekend iets met klassieke muziek. En van het autochtone volksdeel heeft ook een steeds groter aandeel niets met klassiek. Het muziekonderwijs is in twintig jaar tijd fors geërodeerd.

„Daarom zijn we sinds 2000 bezig met een eigen educatieprogramma voor 30.000 kinderen per jaar uit Amsterdam en rest van Nederland. Venezuela is een voorbeeld. Daar zijn ze dertig jaar geleden begonnen, nu zijn er meer dan tweehonderd jeugdorkesten. De concertzalen worden daar overwegend door jongeren bezocht. Een internationaal enorm succesvolle jonge dirigent als Gustavo Dudamel komt daaruit voort.”

Een probleem voor Reinink is ook dat de vroeger vanzelfsprekende public relations van de klassieke muziek als een van de fundamenten onder de westerse cultuur onder druk staan. „Bij de Publieke Omroep wordt de serieuze culturele programmering steeds meer verdrongen naar de randen van de dag, naar twaalf uur 's avonds of zelfs later. Platenmaatschappijen steunen nog slechts weinig grote sterren, Cecilia Bartoli is een uitzondering. Ook lopen in een aantal kranten de recensies terug. Een negatieve spiraal dreigt: als er voor klassieke muziek minder aandacht is, leeft die minder en daalt het concertbezoek.”

En dan is er toenemende concurrentie in de vrijetijdsbesteding. „Het is ongelooflijk waar je allemaal naartoe kunt. Het aanbod is enorm toegenomen en er wordt in Amsterdam nog steeds doorgebouwd aan zalen en theaters. Na het Muziekgebouw aan ’t IJ komt er een nieuw conservatorium met een flinke zaal. Die zalen betekenen dubbele concurrentie: meer aanbod, en door subsidies ook goedkoper. Bovendien is er daardoor minder subsidiegeld beschikbaar voor de bestaande instellingen.”

Hoe de wereld ook verandert , de artistieke kern van het Concertgebouw moet onaangetast blijven. „Wel moeten we rekening houden met de veranderingen en ons daarbinnen manifesteren. Voor een deel hebben we een imagoprobleem. Ons aanbod is veel breder dan men zich vaak realiseert: we doen jazz, jeugdconcerten, er is wereldmuziek in allerlei soorten, soms lichte muziek. Maar wel altijd de top in het genre, het moet bij ons gebouw passen.”

Het Concertgebouw heeft een gemiddelde bezettingsgraad van tachtig procent, er is dus nog ruimte voor groei. „We gaan actiever de markt op bij een nieuw en jong publiek. Dat kan ondermeer bereikt worden via internet – gemakkelijk kaarten bestellen, e mails met aanbod, hyves, sms. Mensen die niet vanzelfsprekend in het Concertgebouw komen, willen we een programma bieden waardoor ze wel komen. We willen een laagdrempelig gebouw worden. Daarom blijft het Wiener Café in de nieuwe vleugel ook bestaan na het huidige Donau Festival: het is een etalage van gastvrijheid.”

Reinink wil een aantal dingen anders: meer korte concerten met een lossere sfeer, inleidingen vooraf, achteraf meer gelegenheid artiesten te ontmoeten en kortere rijen in de foyers door de consumpties in de toegangsprijs te berekenen. En Reinink zou wel meer belangstelling willen van de vier miljoen toeristen die jaarlijks op het Museumplein rondlopen. Het plein kan beter worden ingericht om de loop naar het Concertgebouw te stimuleren.

Reinink ondersteunt de vraag van het Concertgebouworkest om meer subsidie om bij de wereldtop te blijven. „Het draagt onze naam, overal ter wereld. Een toporkest moet aan alle kanten worden gekoesterd. Zaal en orkest kunnen niet zonder elkaar. Je kunt iets in 120 jaar opbouwen en in vijf jaar teloor laten gaan. Dat voorkomen vergt moed, visie en leiderschap van de minister.”

Volgens Reinink is er een grens aan het zelfverdienende vermogen van orkest en gebouw. „Het Concertgebouw haalt 30 tot 35 procent van het budget voor de eigen concertprogrammering uit sponsoring. Het geld voor renovaties komt grotendeels uit particuliere fondsenwerving. Dat is ongekend. Andere activiteiten worden door de overheid onder de marktprijs ondersteund. Dan maken ze het ons erg moeilijk.

„Er is steeds concurrentie op de sponsormarkt. De overheid wil dat culturele instellingen ondernemender gaan worden. De Mediawet moet dan worden aangepast, die laat weinig ruimte voor het noemen van sponsors, zoals Menzis bij de door de radio uitgezonden zondagochtendconcerten.”