Zo leuk, praten met handen en voeten

De werkvloer wordt steeds multicultureler. Samenwerking gaat meestal goed. „Mensen zijn best tolerant over culturele verschillen van collega’s. Als ze hun werk maar goed doen.”

Werknemers van de de Amsterdamse scheepswerf Shipdock. De werf maakt veel gebruik van uitzendkrachten. Net als de vaste krachten komen ze uit vele landen, waaronder Hongarije, Polen, Duitsland, Engeland, Nederland, de Antillen, Suriname, Turkije, Marokko, Portugal, Italië en Servië. (Foto Bas Czerwinski) 22-01-2008, AMSTERDAM. SHIPDOCKS. FOTO BAS CZERWINSKI scheepvaart scheepsbouw scheepswerven werven industrie schepen Czerwinski, Bas

‘Je hebt geluk dat je Nederlanders treft, dat is sporadisch hier.” Het is even na twaalf uur. In de kantine van de Amsterdamse scheepswerf Shipdock zitten vier autochtone elektrotechnici aan hun meegebrachte lunch. De samenstelling van de tafels in de kantine is vrijwel zonder uitzondering gegroepeerd naar land van herkomst. De Serviërs bij de Serviërs, de Turken bij de Turken, de Surinamers bij de Surinamers. Er werken zeker twaalf verschillende nationaliteiten. De Nederlandse elektrotechnici, alle vier gedetacheerd, hebben in hun werk veel met buitenlandse collega’s te maken. Een verrijking kunnen ze het niet noemen. „Ze gaan allemaal in groepjes zitten en Alibaba praten, ze mengen zich niet met ons”, zegt een van hen. „Wij ook niet met hen”, merkt zijn collega op. „Op deze manier leer je niks van elkaar. De enige keer dat je communiceert, is als je elkaar in de weg staat.”

Dit is het minst positieve geluid over het werken met collega’s uit verschillende culturen, tijdens een kijkje op de werkvloer van drie bedrijven: een scheepswerf, een logistiek bedrijf en een Amsterdamse gemeentelijke dienst. Werknemers die dagelijks met collega’s uit alle windstreken werken, gaan hier over het algemeen gemoedelijk mee om. Juliette Schaafsma promoveerde eind 2006 op culturele diversiteit in organisaties en sprak hiervoor met meer dan tweehonderd allochtone en autochtone werknemers, managers en personeelsfunctionarissen. Schaafsma: „De beeldvorming is: het zal wel problematisch zijn. De werknemers zijn zelf een stuk positiever. Mensen zijn best tolerant over culturele verschillen van collega’s. Als ze hun werk maar goed doen.”

„Ik vind het heel, heel leuk”, zegt Anthony Mensah uit Ghana, magazijnmedewerker bij logistiek dienstverlener DSV Solutions in de Amsterdamse haven. Hier worden goederen opgeslagen, herverdeeld en doorgevoerd. „Ik leer een paar woorden Turks, Marokkaans. En mijn Turkse en Marokkaanse collega’s spreken beter Nederlands dan ik, daar leer ik ook weer van.” „Je leert elkaars cultuur kennen”, zegt steigerbouwer Turgut Akgunduz bij Shipdock. Waar hij zelf vandaan komt? „Rotterdam. Of eh... Turkije. Maar ik ben in Nederland geboren.” Geroutineerd spelt hij zijn naam aan de hand van Nederlandse steden. „Tilburg, Utrecht, Rotterdam...”

„Het is leuk”, zegt een Nederlander met een tintje die in een enorme opslagloods van DSV op een heftruck zit. „Iedereen heeft wel een verhaal over z’n land te vertellen.” Een collega-heftruckchauffeuse, ook Nederlandse: „Je snuift wat op van hun cultuur. Je komt erachter wat ze eten, hoe ze over bepaalde dingen denken, families, tradities.”

„Ik leer een hoop van collega’s”, zegt ook Lourens Bronne, lasser bij Shipdock en van Surinaamse afkomst. „Ik vraag hoe het zit met de Ramadan. En je leert andere talen. Je pikt altijd wel wat mee als je een maand met iemand uit Kroatië of Engeland werkt.” Woorden als ‘goedemorgen’ of ‘in het weekend werken’ kent hij in tien talen, schat hij. Maar uiteindelijk boeit het Bronne niet uit welk land iemand komt. „Wat telt is: wat kan hij? Ik werk liever met iemand die ook aanpakt en zorgt dat de klus af komt.”

Voor de medewerkers van de Amsterdamse Dienst Werk en Inkomen (DWI) is de multiculturele samenstelling van de circa 1.600 medewerkers zo gewoon, dat Rob Kalksma nooit heeft geteld hoeveel nationaliteiten zijn vijftig mensen sterke team telt. Kalksma is teammanager van Vacatureservice Amsterdam, een afdeling die kansarmen op de arbeidsmarkt aan werk helpt. „Ik vind het wel belangrijk dat wij een afspiegeling zijn van de Amsterdamse maatschappij”, zegt hij vanachter een kop erwtensoep en een broodje kaas in de kantine.

„Het maakt me he-le-maal niet uit of een collega wit, zwart of geel is”, zegt adviseur bij de Vacatureservice Hafida Belhaj, een jonge vrouw met designbril en lange donkere haren in een staart. Neemt ze het haar werkgever niet kwalijk dat het bedrijfsuitje uitgerekend tijdens de Ramadan was gepland? „Natuurlijk niet. Je geloofsovertuiging is een stukje privé, die moet je er niet bij je werkgever doordouwen.”

Aan de andere kant van de kantoortuin zit accountmanager Rezgar Kadir in donkergrijs streepjespak, lila overhemd en paarse stropdas achter zijn bureau. De Koerdische Irakees vluchtte 25 jaar geleden naar Nederland. „Ik vind het verrijkend”, zegt hij, „al die culturen bij DWI. Mooier kun je het niet hebben, het is de wereld in het klein. Hoofddoeken, lichte, bruine, zwarte mensen, het geeft me het gevoel dat ik welkom ben. Ik voel me hier thuis.”

Bij logistiek bedrijf DSV Solutions is zestig procent van de bijna honderd vaste medewerkers allochtoon, verdeeld over 28 nationaliteiten. „Dat is leuk”, zegt manager P&O Linda Bodenstaff. „Als je maar een goede mengelmoes houdt; niet te veel van één soort op een afdeling. Als je mensen uit één land bij elkaar zet, vormen ze een eiland in de eigen afdeling. Dat bevordert de samenwerking niet.”

Magazijnmedewerker Frits Kornman steekt onmiddellijk zijn duim op als het over het multiculturele aspect van zijn werk gaat. „Het gaat om de persoon.” Kornman is juist blij dat hij niet alleen Hollandse collega’s heeft. „Nederlanders zijn hier na twee weken weg. Buitenlanders hebben de wil om door te zetten.” Het gesomber over de multiculturele werkvloer schrijft hij toe aan onwetende kantoormensen. „De meeste mensen die op kantoor werken, zijn Hollanders. Die komen niet op de vloer. Ze moeten niet zo negatief doen, gewoon een paar dagen meedraaien op de werkvloer.”

„Soms kan het contact met collega’s stroef lopen, omdat mensen elkaar niet begrijpen”, zegt een Serviër in oranje Shipdock-overall. Zelf spreekt hij uitstekend Nederlands. „Het duurt allemaal effe wat langer”, zegt een van de vier Nederlandse elektrotechnici. Zijn collega: „De werkdruk wordt groter. In principe komen die buitenlanders om te helpen, maar dat werkt niet altijd. Ik heb wel eens gewerkt met iemand die gebrekkig Nederlands sprak en iemand die geen Nederlands sprak. Gaat de één vertalen voor de ander, wat je zegt. Maar dat werkt niet. Staat de één zo (imiteert een schouder ophalende collega), terwijl jij ergens klem staat.”

„Ongetwijfeld lullen mensen over elkaar”, zegt Rezgar Kadir van de Vacatureservice Amsterdam. „Maar daar doe ik niet aan mee.” Twee keer heeft zijn baas dingen gezegd die hem niet lekker zaten: over Koerden en de PKK. „Ik ben naar hem toe gegaan en heb dat gezegd. Ik kreeg een compliment dat ik dat deed. Het was niet kwaad bedoeld. Over zoiets hoef ik niet te roddelen, je moet elkaar kunnen aanspreken.”

„Belangrijk is dat mensen elkaar begrijpen”, zegt onderzoekster Juliette Schaafsma. „Dat ze ook elkaars grapjes snappen”, want onderling geintjes maken wordt gewaardeerd. Mensen moeten er ook op kunnen vertrouwen dat instructies worden begrepen. „Anders raken ze gefrustreerd en sluipen er fouten in het proces.”

Bij Shipdock en DSV komt het geregeld voor dat collega’s geen gemeenschappelijke taal spreken. Toch reageren de meesten daar laconiek op. Assistent projectleider facilities Karin Kromhout, de enige vrouw op de werkvloer van Shipdock: „Bij instructies moet je alles duidelijk zeggen, en één ding tegelijk. En controleren of iedereen begrijpt wat je zegt. Vaak hebben ze wel een standaard woordenschat die iedereen kent. En anders ga je tekenen, of loop je mee en laat je de situatie zien, dan snappen ze het wel.” Mohammed el Adib van DSV moet veel met collega’s communiceren. „Soms, bij Polen, communiceer je met handen en voeten. Dat blijft lastig, vooral als je een beetje haast hebt en iets specifieks wilt uitleggen. Het duurt wat langer dan normaal, maar over het algemeen lukt het wel hoor.”

Bij de Vacatureservice Amsterdam zijn taalproblemen niet aan de orde; iedereen heeft een mbo-opleiding of hoger en spreekt goed Nederlands. „Er zijn Marokkaanse dames met hoofddoekje die beter Nederlands spreken dan ik”, merkt teammanager Rob Kalksma op. Dat Rezgar Kadir liever geen nota’s schrijft, heeft meer met zijn interesse te maken („Ik moet de hort op, pionieren, motiveren”) dan met zijn Nederlands, dat hij als „niet perfect” bestempelt.

Waar mensen een gezamenlijk doel hebben, of tot elkaar zijn veroordeeld, proberen ze er het beste van te maken. „Wij komen hier om te werken voor ons geld”, zegt een elektricien van Shipdock uit Servië-Montenegro. „Het maakt niet uit waar iemand vandaan komt.”