Turkse agente is zo lelijk als de nacht

Wie staat er voor de rechter en waarom? Rechters hebben een dagtaak aan het behandelen van beledigingen. „Je hoort het meer en meer.”

Zeggen wat je denkt, is inmiddels heel vanzelfsprekend. Voor alle bevolkingsgroepen. Ook als dat wat je denkt, niet zo fraai is.

Wat zegt Mohammed (32), zelf een Marokkaan, tegen de parkeerwachter die een boete onder zijn ruitenwissers stopt: kankerneger. En tegen de Turkse politie-agente die hem aanhoudt bij het stoplicht omdat hij geen gordel omheeft: Turks wijf. En: Turken sporen niet.

Mohammed nuanceert bij de politierechter in Amsterdam zijn beledigingen. Ja, hij heeft de parkeerwachter wel neger genoemd, maar dat was niet beledigend bedoeld. Hij was gewoon boos.

De Hollandse collega’s van de parkeerwachter hebben een andere lezing: zij noteerden: kutneger, zwarte, kankerlijer en ‘ik neuk je moeder’. Een kreeg een aansteker naar zijn hoofd, de ander werd bespuugd. Hij meldt dat hij een witte klodder langs zijn uniform zag druipen.

De Hollandse collega van de agente hoorde Mohammed en drie vrienden uit de auto roepen dat agente Yilmaz de bekeuring vast uitdeelde om zich in te likken bij haar Nederlandse bazen. Dat ze nu maar één streep had, en straks vast twee. Of ze er soms opgewonden van raakte om vier mannen aan te houden. Dat ze niet eens het recht had om hen aan te spreken. Daarna trokken ze met gierende banden op, draaiden het raampje open en riepen dat ze zo lelijk was als de nacht.

Honderd procent verzonnen, zegt Mohammed. Waarom zou hij dat allemaal zeggen? Nou, zegt de rechter, omdat ze Turks is en een vrouw. Dat vindt Mohammed grappig. Zó zit hij niet in elkaar, een vrouw mag hem en zijn vrienden best aanspreken. Omdat u het vervelend vindt om een bon te krijgen. Ja, dat vindt Mohammed inderdaad naar. Maar de rechter snapt toch zelf ook wel dat het allemaal collega’s van elkaar zijn, de mensen die verklaarden wat hij allemaal gezegd zou hebben. Wat hij daarmee bedoelt? Nou, dat ze de feiten wat aangedikt hebben. Het net een tikje erger hebben gemaakt.

Zeggen wat je denkt komt al snel neer op iemand beledigen. Je snel heel erg beledigd vóelen, is ook heel vanzelfsprekend geworden. Rechters hebben soms dagen werk om alle beledigende en beledigde partijen aan te horen en te berechten. Je hoort het meer en meer, zegt de rechter tegen Mohammed. Ze heeft al twee beledigingszaken achter de rug, en vorige week nog, was ze de helft van de dag bezig met zaken van politiemensen, stadswachters, parkeercontroleurs. Beledigd worden, zegt ze, lijkt wel een standaard onderdeel van hun functie-uitoefening geworden.

De vraag is natuurlijk, worden ze nou echt vaker beledigd of vóelen ze zich vaker beledigd. Doen ze sneller aangifte, omdat ze weten dat rechters er alert op zijn. Dat de straffen voor het beledigen van ambtenaren in functie sneller gegeven worden en hoger zijn dan normaal.

De rechter weet heus wel, zegt ze, dat mensen de neiging hebben om dat wat hen is aangedaan erger te maken en aan te dikken. Niets is honderd procent waar. Maar ze heeft voldoende reden, zegt ze, om aan te nemen, dat wat Mohammed zegt ook niet honderd procent waar is.

De verklaringen van de collega-parkeerwachten en de collega-agente zijn zo gedetailleerd, zegt de rechter, dat ze niet verzonnen kunnen zijn. De klodder spuug op het uniform. De identieke beschrijving die twee controleurs onafhankelijk van elkaar geven over hoe Mohammed keer op keer schreeuwde waar die kutneger nou was.

De beschrijving van de gemoedstoestand van agente Yilmaz, nadat Mohammed en zijn vrienden waren weggestoven. „Ze was wit weggetrokken. Het huilen stond haar nader dan het lachen. Ze was vernederd.”

Op de vraag van de rechter wie ze moet geloven: de controleurs en de agente of hem, antwoordt Mohammed droogjes dat dat aan de rechter is. Discriminatie wil de rechter zijn uitlatingen niet noemen (dat is erger dan beledigen). Voor het ‘verrot schelden’ van mensen die ‘gewoon hun werk doen’ geeft ze hem zestig uur werkstraf. In de agressietraining die ook werd geëist, ziet ze niks. „Dat komt bij u toch niet binnen.”