Tuinman van Barth

Het rapport van de Commissie Dijsselbloem besteedt niet alleen aandacht aan de ontwikkelingen in het verleden. Daarnaast doet zij ook suggesties ter oplossing van enkele al jaren voort zeurende problemen. Zo wordt als remedie tegen het tekort aan academisch geschoolde leraren geadviseerd de huidige, omvangrijke universitaire lerarenopleiding af te schaffen en te vervangen door een kort programma binnen de reguliere studie. Zoals het vroeger was dus, zodat de drempel voor academici om op zijn minst te proeven hoe het is om les te geven, wordt weggenomen.

Om de devaluatie van diploma’s in het voortgezet onderwijs tegen te gaan wordt geadviseerd tot het loskoppelen van het centraal schriftelijk en het schoolexamen. De gebrekkige vakkennis van tweedegraads leraren moet worden tegengegaan door de invoering van landelijke examens voor de lerarenopleidingen van de hogescholen.

Deze en ook andere aanbevelingen worden door de commissie niet uit de hoge hoed getoverd maar zijn gebaseerd op studies van deskundigen van allerlei pluimage. Heel anders dus dan de oordelen van politici die meestentijds voortvloeien uit hun toevallige achtergrond en hun gevoeligheid voor de professionele lobbyisten van vakbonden, bestuurders en pedagogische centra die de Haagse deuren dag in dag uit plat lopen. Dit laatste, zo blijkt ook uit het rapport, heeft geleid tot een misvormde kijk bij politici op het reëel bestaande onderwijs.

Wat ik overigens niet begrijp is dat het ministerie niet al veel eerder – uiteraard zonder de politieke schuldvraag te stellen – zelf een dergelijk rapport heeft opgesteld. Dat moeten ambtenaren toch ook kunnen: een overzicht maken van knelpunten met daarbij de oplossingen zoals onafhankelijke deskundigen die aanbevelen en die vervolgens op een overzichtelijke en samenhangende wijze presenteren.

Ten slotte wil ik u een curieuze passage uit het rapport niet onthouden. U herinnert zich ongetwijfeld dat het mislukken van de Basisvorming werd toegeschreven aan het feit dat het streven naar gelijke kansen had geleid tot een gelijke behandeling van ongelijke leerlingen. De eis van vijftien voornamelijk theoretische vakken met voor alle leerlingen van alle niveaus hetzelfde examen met dezelfde eisen, was, zo realiseerde iedereen zich achteraf, niet realistisch. Iedereen. Op één voormalig Kamerlid, na. Zij, Marleen Barth, door de commissie gehoord, wordt in het rapport als volgt geciteerd: “In het tempo waarin leerlingen dat ene programma, dat ene niveau dan moesten bereiken, zou de differentiatie ontstaan, dus niet in de inhoud van de stof. De gedachte was dat leerlingen die langer de tijd nodig hebben om daar doorheen te komen, krijgen ook langer de tijd om dat te doen. Leerlingen van wat we toen nog het vbo noemden zouden in die gedachte zelfs vier jaar de tijd moeten kunnen krijgen om dat programma onder de knie te krijgen, terwijl een potentiële gymnasiumleerling er misschien wel in twee jaar doorheen zou gaan. (…) Wat in feite met de basisvorming is gedaan, is als een tuinman die kijkt naar een knop van een struik, eraan gaat zitten plukken en trekken en zegt: oh, hij bloeit niet. Ja, als je de knop voortijdig kapot maakt...”

Niet aan trekken, gewoon de tijd geven, dan komt het dus allemaal vanzelf. De bijdragen van Barth aan de discussies indertijd over de onderwijsvernieuwingen hadden het zelfde warhoofdige karakter. Inmiddels is zij voorzitter van de christelijke onderwijsbond. In het clubblad van die bond noemt ze het rapport “wijs en evenwichtig”. En nu voor die bond maar hopen dat haar voorzitter dat ook ooit wordt.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl