Thuiszorg: het echte schandaal

Dit jaar besteedt de overheid namens de belastingbetalers 172 miljard euro voor zaken die voor niets (dijken, basisonderwijs) of beneden de kostprijs (gesubsidieerde podiumkunsten) voor iedereen beschikbaar zijn. Sommige zaken produceert de overheid zelf (politie, openbaar bestuur), andere worden door derden voortgebracht (zorg), terwijl de rekening grotendeels collectief wordt voldaan.

Politici – de opdrachtgevers – kunnen lastig beoordelen of al die goederen en diensten wel op de meest doelmatige manier worden geproduceerd. Ambtelijke toppen hebben daar geen belang bij. Naarmate zij meer mensen aansturen en over een ruimer budget kunnen beschikken, nemen invloed, status en salaris van overheidsmanagers immers toe. Hoewel de minister of wethouder de doelmatigheid waarmee ambtenaren werken niet goed kan beoordelen, beschikt zij over één instrument dat ondoelmatigheden vanzelf aan het licht brengt: concurrentie door openbare aanbesteding van bepaalde werkzaamheden. Na aanbesteding gaat de opdracht naar de meest doelmatig werkende producent, die tegen de laagste prijs heeft ingeschreven. Hierbij is van belang dat de overheid de hoeveelheid en kwaliteit van de gevraagde diensten goed specificeert.

Ook bestaande overheidsdiensten mogen bij de aanbesteding meedoen. De kans is groot dat zij duurder blijken te zijn dan anderen. Dan staan de betrokken ambtenaren dus op straat, of zij kunnen tegen doorgaans slechtere arbeidsvoorwaarden aan de slag bij het bedrijf dat de opdracht weet binnen te slepen. Gevraagd is dus politieke moed, omdat ruzie met de ambtenarenbonden dreigt. Die moed ontbreekt in de drie grootste steden, waar het stadsvervoer niet wordt aanbesteed, ondanks gunstige ervaringen – meer en betere dienstverlening voor minder geld – die hiermee bij het streekvervoer al zijn opgedaan.

Dat de overheid de belastingbetalers zo veel geld kan besparen bleek ook de afgelopen weken weer, toen bekend werd dat gemeenten in één jaar tijd 200 miljoen euro wisten te besparen op de kosten van schoonmaakwerk bij hulpbehoevende mensen thuis. Tot 2007 werd die huishoudelijke hulp verleend door traditionele thuiszorgorganisaties. Die kregen hun geld van de ‘zorgkantoren’ die de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) uitvoeren. Zorgkantoren opereren niet kostenbewust, want het geld komt uit de grote premiepot.

Vanaf 2007 hebben gemeenten de zorgplicht voor huishoudelijke hulp, die uit de AWBZ is gelicht. Voor deze nieuwe taak krijgen de lokale overheden van de rijksoverheid jaarlijks ruim 1 miljard euro. Komt een gemeente aan het geld uit Den Haag te kort, dan moet zij bezuinigen op haar andere uitgaven of de onroerendezaakbelasting verhogen. Anders dan de zorgkantoren ervaren gemeentebesturen dus een financiële prikkel om de regeling zo doelmatig mogelijk uit te voeren. Daarom besteden zij de hulp in de huishouding aan. Om niet te veel marktaandeel te verliezen, hebben de bestaande thuiszorgorganisaties hun tarieven verlaagd.

Voordat iemand thuis hulp krijgt, moet eerst zijn of haar hulpbehoefte worden vastgesteld. Nu gemeenten die indicatie (laten) doen, blijkt in 80 procent van de gevallen simpele hulp (niveau 1) voldoende te zijn. Die kan worden verleend door goedkope alfahulpen zonder speciale zorgdiploma’s. Tot nu toe werd in 80 procent van de gevallen zwaardere en aanzienlijk duurdere hulp (niveau 2) gegeven. Voor dit hoger gekwalificeerde personeel is nu dus minder emplooi.

Zo’n 500 mensen zijn inmiddels afgevloeid. Omdat gemeenten nog maar een kwart van de lopende gevallen opnieuw hebben geïndiceerd, vrezen de vakbonden voor veel meer ontslagen.

Bij de nieuwkomers groeit de werkgelegenheid. Daar hoor je niemand over. Doel is natuurlijk dat in bestaande hulpbehoeften goed en zo goedkoop mogelijk wordt voorzien. Uit onderzoek onder 3.500 gebruikers van huishoudelijk hulp blijkt dat zij in het algemeen weinig hebben gemerkt van de overgang van de AWBZ naar de gemeenten, en tamelijk tevreden zijn over de hulp die zij krijgen.

Door aanbesteding en herindicatie boeken gemeenten grote doelmatigheidswinst. Terwijl de meeste lopende gevallen nog moeten worden herbeoordeeld, is al eenvijfde van het budget bespaard. Het geld dat gemeenten overhouden kunnen zij gebruiken voor andere taken, of om hun belastingen te verlagen.

Maar misschien doen gemeenten er verstandiger aan het bespaarde geld nog even opzij te zetten. Want staatssecretaris Bussemaker (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, PvdA) is gezwicht voor de druk van traditionele aanbieders, de vakbonden en een demagogisch tv-filmpje van de Socialistische Partij. Zij heeft een wetswijziging aangekondigd die producenten dwingt vanaf 2009 weer (over)gekwalificeerde en dure thuiszorgmedewerkers met een vast dienstverband in te zetten, tenzij de cliënt zelf voor goedkopere alfahulp kiest. Omdat de eigen bijdrage in beide gevallen even hoog is, zullen mensen de duurste hulp kiezen – al betekent een hoger uurtarief niet dat er beter wordt schoongemaakt. Straks moeten nieuwkomers in hun offerte aan de gemeenten ook aangeven onder welke voorwaarden ze bereid zijn het personeel over te nemen van aanbieders die hun contract verliezen.

Gemeenten krijgen volgend jaar hoogstwaarschijnlijk geen extra geld, al dwingt de centrale overheid ze tot het contracteren van nodeloos dure schoonmaakhulp. En kunnen gemeenten met meerjarige contracten die wel zonder schadevergoeding openbreken? De onverstandige draai van Bussemaker gaat leiden tot veel bestuurlijke ruis en kost de belastingbetalers handenvol geld. Dat is het echte schandaal van de thuiszorg.