Snavelverlenging

Broedpopulaties van steltlopers verschillen onderling in uiterlijk. Bioloog Meinte Engelmoer ontdekte de verschillen na onderzoek van duizenden opgezette vogels. Koos Dijksterhuis

Als er de laatste decennia wadvogels geteld werden, was Meinte Engelmoer, nu 53, erbij betrokken. In december promoveerde hij in Friesland op de gegevens van niet minder dan dertig jaar wadvogelonderzoek.

Vogelaar Engelmoer werd in 1977 gegrepen door een lezing van wadvogelonderzoeker Gerard Boere, over steltlopers op doortrek in de Waddenzee. Dankzij het tellen werd bekend dat er honderdduizenden steltlopers in de Waddenzee zaten, op doorreis tijdens herfst- of voorjaarstrek. De Waddenzee ligt op de helft tussen broedgebieden aan de Noordpool en winterverblijven in Afrika. Zonder die wadden zouden veel trekvogels hun tweejaarlijkse trektocht niet kunnen maken. Met die kennis wisten natuurbeschermers de grote inpolderingen in buitendijks Noord-Friesland tegen te houden.

Engelmoer was één van die natuurbeschermers. Actief geworden in de Fryske Feriening foar Fjildbiology bestudeerde hij wadvogels. De flexibiliteit waarmee de vogels reageerden op het wisselende voedselaanbod fascineerde hem. En waarheen trokken ze in de herfst?

Engelmoer ging biologie studeren in Groningen en toog met drie medestudenten naar Mauretanië, een door Koos van Zomeren in diens roman Otto’s Oorlog beschreven expeditie. Op de Banc d’Arguin, het waddengebied op de grens van de Sahara en de Atlantische Oceaan, telden ze ruim twee miljoen steltlopers van soorten waarvan ze de meeste al uit de Nederlandse Waddenzee kenden. De wadvogels zouden hem nooit meer loslaten. Hij de wadvogels ook niet.

monnikenwerk

En nu is hij dan gepromoveerd, bij professor Theunis Piersma, één van de vier Mauretaniëgangers van dertig jaar geleden. Officieel promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit Groningen, maar in werkelijkheid aan de Fryske Akademy in Franeker. “Want wadvogelonderzoek is toch een grotendeels Friese aangelegenheid”, zegt hij, blij dat zijn monnikenwerk erop zit. “Ik heb nu eindelijk weer tijd voor vogels kijken. Jarenlang was ik elk weekend met die duizenden gegevens bezig.”

“In Mauretanië waren we acht weken aan het vogels tellen”, herinnert Engelmoer zich. “Op het laatst hadden we te weinig drinkwater, we werden ziek, één van ons kon nog maar met één oog door zijn kijker kijken, het andere was zo ontstoken dat het dicht geplamuurd zat.” En maar doorgaan natuurlijk, vogeltellers en -vangers weten nooit van ophouden. “En daar al helemaal niet”, vervolgt Engelmoer, “het moest af, we waren niet voor niets naar die uithoek gereisd!”

Ruim twee miljoen steltlopers in de Banc d’Arguin; meer dan de toen geschatte wereldbevolking! Waar broedden al die vogels? Die hamvraag werd in de volgende jaren onderzocht met metalen pootringen. Dat schoot niet op.

“Van de 18 duizend bonte strandlopers die sinds 1967 geringd zijn”, vertelt de bioloog, “kwamen er drie terugmeldingen uit het broedgebied rond de Noordpool. De plastic kleurringen van tegenwoordig leveren meer terugmeldingen op.” Maar ook met duidelijk zichtbare kleurringen blijven de meldingen uit het polaire broedgebied beperkt. Hier zitten die vogels met duizenden bij elkaar. Maar de kans een op Vlieland geringde strandloper op de Siberische, Groenlandse of Canadese toendra terug te vinden is minimaal.

Toch kwam Engelmoer meer te weten over de broedgebieden. Hij vergeleek de lichaamsmaten en andere kenmerken van tijdens de trek in Nederland gevangen wadvogels, met die van broedvogels op verschillende plekken in het Noordpoolgebied. Wadvogels van dezelfde soort broeden vaak in gescheiden populaties. Als er nauwelijks contact is tussen verschillende populaties, kunnen die er anders uit gaan zien. Soms verschillen populaties zo sterk van elkaar, dat ze ondersoorten worden genoemd.

dienstweigeraar

In 1981 was de oorlog nog koud. Er bestond dienstplicht, maar na zijn studie weigerde Engelmoer dienst. “Ik vond een leuk baantje als dienstweigeraar bij Staatsbosbeheer: verzamelen en invoeren van de gegevens van vogelringers. Mijn baas was wadvogelexpert Gerard Boere. Ik vergeleek de genoteerde maten van vleugels en snavels van in de Waddenzee gevangen vogels met de maten van vogels die in de broedgebieden waren gemeten. Ik hoopte uit de eventuele verschillen te kunnen afleiden in welke streek een vogel broedde.” Maar Engelmoer vertrouwde niet alle gegevens. Hadden de verschillende vangers wel dezelfde maatstaven gebruikt? Maten ze de snavel vanaf het voorhoofd of vanaf de mondhoek? Om subtiele afwijkingen in formaat te ontdekken, had hij vele metingen nodig, en natuurlijk in standaardmaten. In de Waddenzee was dat wel te organiseren, maar aan de Noordpool? Daarheen gaan om vogels te vangen was te tijdrovend en onbetaalbaar. Maar vanaf de negentiende eeuw hadden veldbiologen dat al gedaan! Uit alle wereldstreken waren vogels verzameld. Ze werden leeggehaald, hun huid en veren ingewreven met insecticiden en vervolgens volgestopt met hooi, mos of kapok. Die zonder geraamte opgezette beesten zijn ongeschikt voor vitrinekasten of schoorsteenmantels; om hun vorm bekommerden de preparateurs zich niet. Maar ze zijn in natuurmusea goed bewaard gebleven en vormen een schat aan historische informatie. En je hoeft ze niet meer te vangen om ze te kunnen meten. Engelmoer ging naar het natuurmuseum in Kopenhagen waar veel balgen lagen van steltlopers uit Groenland.

“Als dienstweigeraar mocht je het land niet uit”, vertelt hij, “en mijn baas wilde dat ook niet hebben. Ik vertelde het hem pas na terugkeer en toen was hij zeer tevreden met de gegevens van de balgen die ik bij me had.”

Na zijn vervangende dienst had Engelmoer uiteenlopende betrekkingen als natuuronderzoeker. “Maar altijd bleef ik aan die steltlopers denken. Ik werkte jarenlang ’s avonds en in de weekeinden aan de meetgegevens van vogelvangers, naast mijn gewone werk. Voor poolexpedities had ik nog steeds tijd noch geld.” Hij herinnerde zich de balgen in Kopenhagen. Weer zouden balgen hem helpen. Samen met collega’s ploos Engelmoer de collecties uit van natuurmusea in IJsland, Rusland, Canada en de VS. Hij heeft een kleine vijfduizend balgen bestudeerd en gemeten. Bij zijn promotie heeft hij die in een staafdiagram uitgezet tegen hun leeftijd. De oudste stammen uit 1818. Sommige pieken verraden ontdekkingsreizen, terwijl de grafiek na 1914 en 1940 diepe kloven vertoont.

“Van de 4810 balgen van in totaal vijftien soorten steltlopers waren niet alleen de soortnaam en vangstdatum bekend, maar ook de vindplaats”, vertelt Engelmoer. “En daardoor ontdekte ik dat de kanoetstrandlopers die broeden op het Noord-Siberische schiereiland Taimyr, sinds 1900 langere snavels hebben gekregen. Rond 1900 waren hun snavels nog even lang als die van kanoeten in Groenland en Noordoost-Canada, maar tegenwoordig zijn de snavels van de Taimyrse vogels twee tot vijf millimeter langer.”

Een langere snavel kan het gevolg zijn van een andere voedselkeuze. Kanoeten zoeken schelpdiertjes in vochtig zand. Ze vinden hun prooien door hun snavel als de naald van een naaimachientje op en neer in de bodem te steken. De drukgolfjes die dat veroorzaakt, worden teruggekaatst door ondergegraven schelpen, en door kanoeten met hun uiterst gevoelige snavelpunt gedetecteerd. Dat lukt niet in water en niet in droog zand, maar alleen in vochtig zand. De kanoet is, voorzover bekend, de enige vogel met zo’n radarsnavel. Dieper dan van een centimeter of vier kunnen ze niets opdiepen, omdat ze dan met hun oogjes in het zand zouden komen. Kregen ze langere snavels omdat hun prooien dieper in de bodem zijn gaan leven?

“Zou kunnen”, zegt Engelmoer, “al pikken ze in het broedgebied vooral insecten en geleedpotigen op van het toendragras, net als kanoeten in Canada en Groenland. Wel peuren ze soms emelten uit de ontdooide bodem. Maar ze zijn driekwart van het jaar buiten hun broedgebied, dus zal de oorzaak wel in hun winterverblijf liggen.”

De kanoetstrandlopers van Taimyr spenderen de winter op de Banc d’Arguin van Mauretanië. Ze doen ons waddengebied alleen in lente en nazomer aan. De kanoeten uit Groenland en Oost-Canada arriveren wat later in de nazomer en blijven hier de hele winter. Ze eten er het liefst nonnetjes, kleine wadschelpdieren.

snavelslijtage

Zouden de schelpdieren die kanoeten in Mauretanië eten zich dieper ingraven dan de nonnetjes in de Waddenzee? Dat klinkt logisch. Dan zou er een selectiedruk zijn ten gunste van de langste snavels. Er zit altijd wel wat variatie in snavellengte. Kanoeten met de langste snavel zouden in het voordeel zijn en meer nageslacht krijgen, aan wie ze hun langsnavelige eigenschap nalaten. Pure evolutie dus.

“Ik vermoed dat het een andere oorzaak heeft”, denkt Engelmoer hardop. “Jan Hulscher, de scholeksteronderzoeker, wist te vertellen dat scholeksters een anderhalf keer zo lange snavel zouden krijgen, als die een jaar niet zou slijten. Hoe vaker een vogel wroet en hoe harder de grond is waarin hij wroet, hoe sneller zijn snavel slijt. Bij die Taimyr-kanoeten kan hetzelfde spelen. Er hoeft maar iets in het foerageerpatroon te veranderen en de slijtage neemt toe of af. In dit geval dus af, waardoor de snavels iets langer zijn geworden. Mogelijk is het wad in Mauretanië zachter dan in de Waddenzee.”

Van de Banc d’Arguin mag dat onbekend zijn, maar in de Waddenzee is de bodem in de twintigste eeuw wel degelijk veranderd. Het slibvangende zeegras is verdwenen, de oesterbanken stierven uit, de wulken verdwenen en de slibvormende en -bindende mossels en kokkels werden weggevangen. Waarschijnlijk is daardoor het zachte slijk veranderd in hard zand. Alleen de strook langs het Friese en Groninger vasteland is nog heel slikkig. En juist daar verblijven de Siberische kanoeten. De Canadezen en Groenlanders zitten wat noordelijker, op zandiger geworden platen onder de eilanden.

Engelmoer: “Op de zachtere slikken halen vooral verder trekkende vogels een snelle hap, terwijl bij de eilanden vooral vogels aan het ruien zijn. Dat geldt voor veel steltlopersoorten. Op Vlieland en Schiermonnikoog bijvoorbeeld is aan de gaten in de vleugels van gevangen vogels te zien dat de vogels in de rui zijn. En dat zijn vogels die wat langer blijven.”

De Siberische kanoeten mogen dan een langere snavel hebben, verder zijn ze juist iets kleiner dan de Groenlandse. Beide ondersoorten kwamen, dachten biologen tot voor kort, elkaar in de Waddenzee nauwelijks tegen. Maar Engelmoer ontdekte dat laatkomers onder de Siberische kanoeten tot eind oktober of november in de Waddenzee blijven hangen. Dan is de Groenlands/Canadese ondersoort daar ook. De laatkomers uit Siberië zijn vooral mannetjes. Bij kanoeten zorgt het mannetje voor de kuikens. Steltloperkuikens hebben genoeg aan één ouder. Dus vertrekt één van beide ouders vast richting wintergebied. Bij veel soorten blijft het vrouwtje bij de kuikens, maar de kanoet draait de rollen om.

“Ik denk”, zegt Engelmoer, “dat sommige mannetjes te laat zijn om nog voor de rui West-Afrika te halen en daarom langer in de Waddenzee blijven. Daar ruien ze dan om vervolgens alsnog hun reis naar Mauretanië te vervolgen.”

ros grut

Een vergelijkbare ontdekking deed Engelmoer aan rosse grutto’s, een echte wadvogel en een andere soort dan onze (weide)grutto. Rosse grutto’s broeden in het hoge noorden en overwinteren net als kanoeten op de Waddenzee en op de Banc d’Arguin. Op basis van spaarzame terugmeldingen van vogelringen dacht men dat de rosse grutto’s uit Taimyr na een pauze allemaal doorvlogen naar Mauretanië. Dat werd bevestigd door vangsten in Mauretanië. De vogels die daar overwinteren, broeden allemaal in Siberië. Wel pauzeren ze onderweg op de wadden die dan ros kleuren van de alvast of nog steeds zomers gekleurde rosse grutto’s. In augustus, met een nieuwe generatie ros grut erbij, kunnen er wel 300 duizend rosse grutto’s in onze Waddenzee bivakkeren. Toch blijft ook een deel van de Siberiërs ‘s winters in deWaddenzee of andere West-Europese getijdengebieden.

“Van de in de Waddenzee overwinterende rosse grutto’s lijkt bijna tachtig procent afkomstig van de Noord-Europese broedpopulatie”, weet Engelmoer. “De overige twintig procent broedt op Taimyr of nog oostelijker.”

Dat hier niet alleen Noord-Europese rosse grutto’s overwinteren, maar ook vogels uit Taimyr, had Engelmoer wel gedacht. “Want”, vertelt hij, “in de Waddenzee en andere West-Europese getijdengebieden werden ’s winters meer rosse grutto’s geteld dan naar schatting in Noord-Europa broedden. Dus of die broedpopulatie werd onderschat, of er zaten ook vogels uit Siberië bij. Het laatste bleek het geval.”

En zo beschreef de bioloog allerlei ontdekkingen over twaalf steltlopersoorten in de Waddenzee, maar vooral over kanoeten en rosse grutto’s. Westelijk broedende rosse grutto’s in Lapland en Noord-Rusland hebben een witte stuit, vogels in Oost-Siberië en Alaska een donkerbruine. Rosse grutto’s verschillen per broedgebied ook in staartbreedte en vleugellengte – er zijn vijf ondersoorten waarvan twee door het balgenonderzoek zijn ontdekt.

“Nu wordt in praktijk gebracht wat ik in de jaren zeventig al hoopte”, zegt Engelmoer tevreden. “Als ze nu een rosse grutto bij Holwerd vangen, dan kunnen ze aan zijn uiterlijk zien tot welke broedpopulatie hij hoort.”

Meinte Engelmoer - Breeding origins of wader populations utilizing the Dutch Wadden Sea, Fryske Akademy, Leeuwarden, 2008.