‘Op een dag zal Cuba anders zijn’

Morgen krijgt Cuba een nieuwe president. Fidel Castro wil niet opnieuw gekozen worden. De meeste Cubanen denken echter niet dat daarmee hun leven drastisch zal veranderen.

Toen Emilio hoorde dat Fidel Castro zich terugtrok als president van Cuba, haalde hij zijn schouders op. Geen opwinding, geen verwachtingen. Cuba is Cuba en zal niet snel veranderen. „Het enige dat we hebben is hoop, hoop dat op een dag de gesloten Cubaanse wereld anders zal zijn”, zegt de 26-jarige student van de Universiteit van Havana.

Morgen zal het parlement van Cuba een nieuwe staatsraad kiezen, waarvan de voorzitter tevens de president van het land zal worden. Deze functie is bijna een halve eeuw in handen geweest van Fidel Castro, de 81-jarige aartsvader van het communistische eiland.

Wie zijn opvolger wordt, is nog onbekend. Mogelijk zijn vijf jaar jongere broer Raúl, die sinds juli 2006 tijdelijk de macht heeft overgenomen vanwege Fidels zwakke gezondheid. Of misschien wordt het toch iemand van de jongere garde van de communistische partij.

„Voor ons maakt het weinig uit. De koers van het land zal niet wijzigen. De uitkomst van zondag zal me eigenlijk worst wezen”, zegt Emilio. Als hij praat, kijkt de student voortdurend om zich heen: bang om afgeluisterd te worden door mensen van de overheid. Wie kritiek levert op de Cubaanse regering, loopt het risico gearresteerd te worden. Zijn achternaam durft Emilio daarom dan ook niet te geven.

Met een cynisch lachje vertelt hij dat hij economie studeert. „Het is geen grap. Maar wat ik ermee ga doen als ik klaar ben? Geen idee.” Op het straatarme eiland ligt het gemiddelde inkomen rond de vijftien dollar per maand. Gezondheidszorg en onderwijs zijn weliswaar gratis, maar voor de meeste Cubanen geldt vooral: hoe komen we financieel de maand door.

Op de boulevard, langs de zee, van Havana durft Emilio (gouden ringen in het oor, gympen, T-shirt en spijkerbroek) meer openheid van zaken te geven. De ruis van de wind en langsrazende, bijna antieke auto’s maken meeluisteren lastig.

Emilio vertelt over ‘dappere’ collega-studenten die tijdens een gefilmde bijeenkomst met Ricardo Alarcón, leider van het Cubaanse parlement, geen blad voor de mond hadden genomen. Keihard hadden ze Alarcón ondermeer gevraagd waarom Cubanen niet naar het buitenland mogen reizen en geen toegang hebben tot de dollar-hotels in eigen land.

Emilio zegt: „Studenten denken na en zijn het een beetje zat. Wij hoeven geen Amerikaans kapitalisme, maar willen meer vrijheden, om te reizen, je mening te uiten, het internet op te kunnen.” De straat opgaan, om te protesteren, dat zullen de studenten echter niet snel doen. Uit angst voor arrestaties. Omdat de oudere generatie het wellicht niet zal begrijpen. „De Cubaanse revolutie heeft veel goeds gebracht, maar nu staan we stil”, zegt Emilio. „Maar de oudere mensen zien dat niet.”

Vervolg Cuba: pagina 5

‘Pas als Fidel dood is, zal hij echt weg zijn’

In Cayo Hueso, een van de vele afgetakelde wijken in Havana, kleuren religieuze schilderingen van Afro-Cubaanse artiesten de muren. Hier hangt Antonio Babes rond als hij niet hoeft te werken als schoonmaker in het Hermanos Ameijeiras ziekenhuis. Nippend aan een ochtend-mojito, zegt hij: „We proberen te overleven. Cuba is een arm land.”

Van Babes geen kwaad woord over het regime. Liever prijst hij de kwaliteiten van de Cubaanse maatschappij. De afwezigheid van maffia. De gratis gezondheidszorg. „Ik ben zwart, maar hier is iedereen gelijk. Fidel is een groot leider.”

Nee, Cuba zal na zondag niet veranderen, zo verwacht de schoonmaker. Treurig is hij ook niet over Fidels vertrek. „Pas als hij dood is, zal hij echt weg zijn. Hij blijft altijd aanwezig.” Volgens Babes wordt Fidels broer Raúl gewoon de nieuwe baas van het land. Stiekem hoopt hij toch dat er enkele hervormingen worden aangekondigd. Hij zegt: „Ik zou ook zo graag een keertje een ander land willen bezoeken. Gewoon om te zien hoe de mensen buiten Cuba leven.”

Sinds zijn tijdelijke machtsovername heeft Raúl het volk opgeroepen commentaar te leveren op het communistische systeem van het land, een vooruitstrevend gebaar voor Cubaanse begrippen. Of het daadwerkelijk zal leiden tot hervormingen, daar bestaat vooralsnog twijfel over, zegt Ana, een buitenlandse die met een Cubaan is getrouwd en ruim dertig jaar op het eiland woont.

Cubanen voelen zich volgens haar opgesloten, willen meer van de buitenwereld weten en zien. De mensen zijn vooral arm en de vooruitzichten zijn beperkt. „Je kan een hoge opleiding hebben, maar dan verdien je nog steeds geen cent. De verkiezing van de staatsraad door het parlement is voor de bühne en betekent niets voor de man in de straat.” Haar zoon, een ingenieur, kon ‘gelukkig’ naar het buitenland, omdat zijn moeder geen Cubaanse is. Zij zegt: „Hij woont in de Verenigde Staten en verdient daar goed geld, maar mist wel zijn vaderland.”

Ook economiestudent Emilio wil naar het buitenland, maar niet om Cuba te verlaten. Als hij langs de zee loopt, droomt hij vaak over Egypte, vertelt hij. „Het is mijn droom om een keer naar Egypte te gaan, om de piramides te zien. Cubanen moeten het recht krijgen om de piramides te bezoeken!”

Dit is de eerste bijdrage van onze nieuwe correspondent in Latijns-Amerika, Philip de Wit.