Op de Saturnusmaan Titan is olievoorraad vrijwel onuitputtelijk

Radarkaart van het noordpoolgebied van Titan, samengesteld uit Cassini-opnamen. De donkere vlekken zijn meren van waarschijnlijk vloeibaar methaan. foto NASA/JPL/USGS NASA/JPL/USGS

Aan het oppervlak van Titan, de grootste maan van Saturnus, bevinden zich tientallen meren die ieder al meer koolwaterstoffen bevatten dan alle bekende olie- en gasvoorraden op aarde bij elkaar. Dit blijkt uit onlangs gepubliceerde waarnemingen van de Amerikaanse Saturnusverkenner Cassini (Geophysical Research Letters, 29 januari). Cassini draait sinds juli 2004 om Saturnus. Titan is bijna half zo groot als de aarde en gehuld in een ondoorzichtige, methaanrijke atmosfeer.

Cassini heeft met zijn radar honderden gebieden op Titan waargenomen die op meren van vloeibaar materiaal lijken. Ze veroorzaken geringe radar-reflecties, wat kenmerkend is voor heel gladde oppervlakken, liggen in de lagere delen van het landschap (soms als ronde depressies) en worden vaak omringd door structuren die doen denken aan ‘stroomgeulen’ – zoals die ook op Mars zijn waargenomen. Deze meren hebben een diameter van enkele tot enkele honderden kilometers.

Hoewel het niet mogelijk is om uit de radarwaarnemingen de samenstelling van de meren te bepalen, zijn methaan en (in mindere mate) ethaan de meest voor de hand liggende kandidaten.

Ralph Lorenz en zijn collega’s hebben de diepte van de meren geschat door ze te vergelijken met meren op aarde. Daar is de diepte van een meer vaak minder dan een tiende van de hoogte van het omringende terrein. Ook kon van sommige meren op Titan met zekerheid worden vastgesteld dat ze meer dan tien meter diep moeten zijn omdat Cassini’s radar anders tekenen van hun bodem had moeten waarnemen. Op grond van dit soort overwegingen hebben de onderzoekers berekend dat alle meren tezamen meer dan 30.000 km3 vloeibare koolwaterstoffen bevatten: ruim 160 maal de in 2007 bewezen aardse olievoorraden. George Beekman