Oom Brian en tante Doris

Veel Australische mannen wonen overdag in hun garage. „Biertje?”

Oom Brian, de broer van mijn schoonmoeder, is mijn favoriete Australische oom. In zijn jonge jaren was hij een succesvolle professionele bokser, die glorie straalt nog steeds van hem af. Hij houdt ook van mij, want ik hoef mijn neus maar te laten zien en ik krijg een ijskoud biertje van hem.

Het is altijd goed toeven aan de rand van oom Brians zwembad, dat hij heeft laten aanleggen nadat hij de loterij gewonnen had. Hij woont op een hoek van een typisch Australische buitenwijk; elk huis heeft een garage en een tuin rondom.

„Nog iets gebeurd het afgelopen jaar?” informeren wij. „Mmm”, denkt oom Brian na. „Vertel ze over die hond!” giechelt tante Doris. „Yeah, well, er liep hier een kerel voorbij met een pitbull. Ik riep: he! zijn die beesten niet verboden in dit land? Die kerel meteen kwaad, hij pakt zijn hond op en gooit hem over het hek mijn tuin in. Hopend dat ie mij zou opvreten natuurlijk. Ik dacht eerst: ik donder dat beest in het zwembad, maar dat had Doris niet fijn gevonden, dus ik grijp die pitbull in zijn kladden en smijt hem terug over het hek, bovenop die vent.”

„Allemachtig”, zeg ik. Tante Doris nipt aan haar champagneglas waarin een aardbei op de bodem ligt. „En we hebben de bomen van de buren vergiftigd”, fluistert ze. „Wat?”, vraag ik geschokt. „Ja, alle bladeren vielen op ons gras en in het zwembad”, moppert ze. Zij stond op de uitkijk terwijl oom Brian gaten boorde, met gif vulde en afstopte met vuller. „Daarna waren ze zo dood”, besluit tante Doris het verhaal opgewekt. Nu begrijp ik waarom er in Australische tuinen meestal niet meer staat dan een kale droogmolen voor het wasgoed.

„Well”, vervolgt oom Brian het gesprek. „De mijnen in West-Australië draaien op volle toeren. Veel mensen maken daar een fortuin nu.” Er klinkt verlangen in zijn stem. „Maar hoeveel blijft er over van dat geld ?”, relativeert tante Doris. „Eerst gaat de belasting eraf en voor onderdak betaal je schatten – Out West.” Ik probeer me de uitgestrekte, uitgedroogde andere kant van Australië voor de geest te halen. De aarde is er oranje-rood. Tante Doris vervolgt: „We kennen iemand die daar goed verdiende, maar op een dag kwam hij thuis in de stacaravan, en bleek zijn vrouw de vacht van de kat roze te hebben geverfd.” „Yeah”, vult oom Brian aan. „Als je vrouw de kat roze verft, weet je dat je weg moet wezen.” Hij loopt naar de garage en komt terug met nieuwe biertjes. Alle biertjes van oom Brian komen uit de garage.

Vroeger dacht ik dat er geen plaats was in de keuken, tegenwoordig weet ik beter. In de garage staat behalve een koelkast ook een televisie, een fauteuil en een paar stoelen voor bezoekers. Er hangen foto’s van naakte vrouwen aan de wand. Oom Brian is zogenaamd altijd aan het klussen in de garage, in werkelijkheid woont hij daar overdag. Het huis – waar kikkers staan afgebeeld op kleedjes, placemats, mokken en lampen, en waar kikkers de functies vervullen van tafelpoot, zoutvat en poef – is het domein van tante Doris. Eerst zag ik daarin een aanwijzing dat het huwelijk van oom Brian en tante Doris bezig was op de klippen te lopen, maar dat is niet het geval. „Tegenwoordig wonen veel Australische mannen overdag in de garage”, legde mijn echtgenoot uit. Vroeger brachten ze vrijwel al hun vrije tijd in de pub door, maar sinds de politie automobilisten streng op alcohol controleert, kunnen ze daar moeilijk komen, er is niet altijd een pub dicht in de buurt. De garage is een redelijk alternatief. Bezoekende vrienden lopen direct door, ze weten waren ze hun ‘mate’ kunnen vinden.

Tot opluchting van de vrouw des huizes, want die heeft liever geen manvolk over de vloer. De strijd der seksen wordt in Australië nog steeds met veel vuur gestreden.

„Toch wel zielig, die mannen altijd in de garage”, zeg ik ’s avonds tegen tante Loraine, de zuster van oom Brian en van mijn schoonmoeder. „Met Australische mannen moet je geen medelijden hebben”, adviseert zij. „Mijn ex stopte vroeger vaak als we voorbij een pub kwamen. Hij ging naar binnen, ik moest met de kinderen in de auto wachten. Uren zaten we daar soms.” Ze hoeft niet uit te leggen waarom ze niet naar binnen kon om haar man op te halen; in die tijd was het vrouwen verboden een pub te betreden.

Onvoorstelbaar, maar tot 1975 was dat een Australische wet. „Laat ze maar lekker zitten in hun garage, die kerels”, bromt tante Loraine.

Het is niet anders: het Australische huwelijk is een loopgravenoorlog en zal dat nog wel even blijven.

Ik heb zin om nog even te gaan zwemmen en loop naar het huis van oom Brian. „Hallo!”, roep ik bij het tuinhek, „is er iemand thuis?” „Zin in een biertje?’’, klinkt het uit de garage.