Kiezen tussen borduren, bidden, hout snijden , vrouwen besnijden en katknuppelen

Het subsidiëren van volkscultuur en nationale identiteit is een wespennest, ontdekt Maarten Huygen.

Sint Valentijn verdient dankbedes maar heeft hij recht op subsidie? Als ik Kamerlid Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA) moet geloven wel. De heilige hoort namelijk bij de ‘volkscultuur’ en die moet volgens haar volmondig worden beleden, ja zelfs deels worden betaald uit de krappe kunstbegroting. Voor de onderlinge saamhorigheid.

De Sint Valentijn die op een debatavond van Erfgoed Nederland afgelopen woensdag in de Amsterdamse Reinwardt kunstacademie werd getoond, was nieuw voor mij. Ik ken de Valentijn die door de middenstand uit Angelsaksische contreien is geïmporteerd, net als Moederdag of Halloween. Je moet dan een geliefde of vriend een sieraad of een gekalligrafeerde wenskaart met rood hart sturen. Maar deze geglobaliseerde praktijk geldt als niet authentiek. Het lokale Valentijnritueel dat ons door een volkskundige op een scherm werd geprojecteerd, was dat kennelijk wel. Ik zag een stel bejaarden met flakkerende kaarsen voor een putje. Het heilige water schijnt te helpen tegen vallende ziekte. Mij lijkt dat bijgeloof. Maar Ineke Stroucken, directeur van het Nederlandse Centrum voor Volkscultuur, ziet het als belangrijke volkscultuur. Het is zelfs immaterieel erfgoed waaraan de Unesco door middel van verdragen bescherming wil bieden. De paus had zich niet beter kunnen wensen. Maar het handhaven van een gewoonte lijkt me moeilijker dan het restaureren van een monument. Mensen gaan dood en hun gebruiken veranderen of verliezen hun functie. Hoe bescherm je bijgeloof van ouderen waar jongeren geen zin meer in hebben? Een nieuwe taak erbij voor het onderwijs?

Van Vroonhoven gelooft niet alleen in Sint Valentijn maar ook in al die andere opgesomde gebruiken zoals circus, carnaval, sinterklaas, fanfares, Sint Maarten, Driekoningen, oliebollen, het snijden van houten heften voor Zeeuwse paardenmessen, vertelkunst en het borduren van merklappen. Dat laatste doet ze zelf. Ze wil jongeren in oude ambachten laten opleiden.

Stroucken is enthousiasmerend. Van mij mag het er allemaal zijn en zeker van carnaval heb ik vroeger gehouden. Maar moeten ze worden betaald uit de kunstbegroting? Ja, zegt Van Vroonhoven omdat ze niet gelooft in het principe van Thorbecke dat de politiek zich afzijdig moet houden van kunst. „Vroeger durfden Kamerleden zich daar niet over uit te spreken. Je moest er je handen van af houden. Maar ik zie kunst als instrumenteel voor de samenleving. Het mag gebruikt worden om de mensen samen te brengen”, zegt ze. Daar is niet alleen amateurkunst voor maar ook de volkscultuur.

Een nieuwe politieke correctheid is geboren: kunst tot vorming van de nationale identiteit. „Daar hebben we mee geworsteld”, erkent Van Vroonhoven. „Maar Nederland mag er best trots op zijn. We moeten er niet lacherig over doen. Onze taal en onze tradities moeten we koesteren.” Trots op Nederland. Het is zelfs de naam van een concurrerende partij. Maar de echtgenote van de nationale troonpretendent, prinses Máxima, heeft ontkend dat die Nederlandse identiteit bestaat. Daar heeft Van Vroonhoven een bezweringsformule op verzonnen. Máxima bedoelt dat „er zoveel schakeltjes bestaan dat het geheel de samenleving mooi maakt”.

Terwijl specialist Stroucken ook gebruiken van nieuwe Nederlanders noemt, zoals het Suikerfeest en couscous, beperkt Van Vroonhoven zich tot typisch autochtone rites. Daar, ver buiten de Randstad, waar de midwinterhoorn klinkt, zitten haar kiezers en die krijgen dan geld. Maar dan heeft ze hen toch verkeerd begrepen. Zodra ze gaan blazen, manifesteren ze niet de Nederlandse maar de Twentse identiteit. Ze blazen ook tegen Holland. Twentse gebruiken zetten zich over de Duitse grens voort. Ze zijn bij uitstek regionaal en gemeentelijk, zeker niet Haags. Gemeenten kunnen beter dan Den Haag bepalen of een fanfare geld nodig heeft.

Principiële bezwaren kwamen van Pieter-Matthijs Gijsbers, directeur van het museumpark Orientalis. Die heeft met veel moeite zijn museum gedesacraliseerd. Dat heette eerst de Heilige Landstichting met heiligdommen uit het Nabije Oosten, nu geeft het een ‘eigentijdse kijk’ op het westerse oriëntalisme van vroeger en op drie religies, christendom, jodendom en islam. De afstandelijke benadering is nu alweer de achterhaalde politieke correctheid. De nieuwe spreekt voorkeuren uit. Gijsbers wees op de gevaren daarvan.

Volkscultuur is volgens Gijsbers de uiterlijke franje van een innerlijke overtuiging. Het Suikerfeest, bijvoorbeeld, is een religieus feest. Daarmee wordt ook de geloofsleer gestimuleerd. Maar dat valt buiten het domein van de overheid. Anders ontstaan er conflicten. „Er is een scheidslijn tussen geloofspropaganda en objectiviteit”, zei Gijsbers.

Veel volksgebruiken zijn helemaal niet leuk. Bijvoorbeeld de pogrom, de heksenjacht, de vrouwenbesnijdenis en het volksgericht. Er is een rijke folklore in dieren pesten, van katknuppelen tot palingtrekken. Onder moslims ontdekken vooral jongeren oude gebruiken. Drie straatcoaches uit het Amsterdamse Slotervaart hebben de gewoonte van mannen om vrouwen geen hand te geven in ere hersteld. Waarom zouden deze straatcoaches en de boerkadraagsters geen bescherming vinden bij de Unesco?

Stel je voor, als ze in de zeventiende eeuw zo hadden gedacht als Van Vroonhoven: kunst als middel tot saamhorigheid. Dan had er geen VOC-mentaliteit geheerst. Dan zouden we in het Rijksmuseum geen Rembrandt en Frans Hals vinden maar slechts borduurlappen, kunstig bewerkte pijpen en klederdracht. Het materiaal dat ze nu prominenter willen uitstallen als pindakaas tussen kaviaar. Er zou geen toerist op zijn afgekomen.

Thorbecke was een wijs man: de staat hoort afstand te houden. Dat geldt zeker voor de volkscultuur. De religieuze elementen kunnen explosief zijn. De nieuwe politieke correctheid heeft gevaarlijke kanten. Zeker, er bestaat een nationale identiteit maar die kan het beste oppervlakkig blijven. De Amerikaanse methode is niet gek: de taal, de grondwet, het volkslied, wat sport en een spreuk bij de vlag. Daar kan niemand ruzie over krijgen.