Jurken stelen de show

Couturier Christian Lacroix maakte in het museum Les Arts Décoratifs in Parijs een volmaakte tentoonstelling over drie eeuwen modegeschiedenis.

Christian Lacroix

Het is dat er geen zakenvrouw in mij schuilt, anders was ik een winkel begonnen onder de naam Mooie jurken. Daar zouden dus uitsluitend mooie jurken worden verkocht, in alle soorten: zomer- en winterjurken, lange en korte, oude en nieuwe, met en zonder bolero. Zo’n winkel zou nu in elk geval goede zaken doen, want de jurk is helemaal terug. In jaren hebben er niet zoveel jurken in de etalages gehangen. Helaas maken de kledingfabrikanten zich er wel een beetje makkelijk vanaf met al die geijkte overslagmodellen.

De expositie Histoires de Mode die couturier Christian Lacroix in het Parijse museum Les Arts Décoratifs inrichtte, deed me denken aan mijn gedroomde jurkenwinkel, al zou die winkel nooit kunnen tippen aan de overweldigende collectie schitterjurken op deze tentoonstelling. Weliswaar hangen er bij de honderden geëxposeerde kledingstukken ook wat mantelpakjes, broeken, jassen en truien, maar het zijn de jurken die hier de show stelen.

Christian Lacroix (Arles, 1951) staat bekend als een subversief ontwerper. Hij houdt van ‘slechte smaak’, hij vindt oude, versleten stoffen vaak mooier dan nieuwe; de achterkant van een borduursel kan volgens hem even betoverend zijn als de voorkant en hij is dol op het combineren van vloekende knalkleuren, of van Schotse ruiten met strepen en noppen in één enkele avondjurk.

Lacroix was vijf jaar toen hij op de vraag van zijn grootvader wat hij later wilde worden antwoordde: „Christian Dior”. Als klein jongetje vergaapte hij zich al aan oude modetijdschriften, aan de Provençaalse klederdrachten waarin zijn tantes liepen en de vuurrode, geborduurde pakken van de stierenvechters in de arena van Arles. Hij verzamelde modeplaatjes en maakte tekeningen van alle kostuums die hij in films en toneelvoorstellingen had gezien. Hij ging kunstgeschiedenis studeren in Montpellier en rondde die studie af met een scriptie over de kleding in de zeventiende-eeuwse schilderkunst. Daarna volgde hij in Parijs een opleiding tot museumconservator, maar die maakte hij niet af. De modewereld lonkte, hij kon in 1978 als stagiaire aan de slag bij Hermès en een paar jaar later kreeg hij de leiding van het deftige couturehuis Jean Patou. In 1987 begon hij voor zichzelf en richtte het Maison de Couture Christian Lacroix op.

Ter gelegenheid van zijn twintigjarig jubileum als zelfstandig couturier vroeg het museum Les Arts Décoratifs hem om uit de museumcollectie een overzichtsexpositie samen te stellen van drie eeuwen modegeschiedenis. Lacroix maakte er een adembenemend spektakel van, een volmaakte tentoonstelling. Hij bekeek tachtigduizend kledingstukken uit de museumcollectie, koos er de vijfhonderd ‘meest inspirerende’ uit, rangschikte die naar verschillende thema’s en combineerde ze met tachtig van zijn eigen creaties uit de afgelopen twintig jaar. Met deze opstelling geeft Lacroix niet alleen zijn persoonlijke visie op de mode uit voorbije tijden, de expositie is ook een ode aan zijn eigen ontwerpen, die hier samen met die van illustere voorgangers als Elsa Schiaparelli of Paul Poiret, met de barokke kledij uit de pruikentijd, met rechte jaren twintig jurken en wijde New Look rokken worden getoond. In elke vitrine blijken de haute couture creaties van Lacroix de vergelijking met de topstukken uit de museumcollectie glansrijk te doorstaan.

De chronologie speelt geen rol op deze expositie. Zoals hij in zijn ontwerpen probeert ‘het onverenigbare te verenigen’, zo maakte hij van de tentoonstelling één groot patchwork. De opeenvolgende vitrines zijn elk gewijd aan een thema: Stippen, Strepen, Ruiten, Goudlamé, Bloemen, Binnenstebuiten, Sculpturen, Religie, Spinnewebben. En dan zien we op paspoppen en aan kleerhangers een keur van genopte of geruite kledingstukken, jurken die door religieuze gewaden zijn geïnspireerd, van ragfijn, doorzichtig kant aan elkaar hangen of van stugge stof gebeeldhouwd lijken.

Bij elke vitrine schreef Lacroix een korte, persoonlijke overpeinzing. Bij het thema Wit, waarmee de expositie begint, legt hij uit waarom hij altijd moeite heeft met witte kleren hoewel hij mooie herinneringen bewaart aan zijn grootmoeder, die na Pasen altijd geheel in wit gekleed ging. Een wit vlak, zegt Lacroix, doet pijn aan het oog, er moet iets mee gebeuren waardoor het reliëf krijgt, bijvoorbeeld door net iets donkerder, ivoorkleurig borduursel, door veren, plissé of gouden biezen. Hetzelfde geldt voor zwart: een egaal zwart vlak zal hij altijd doorbreken door zwarte stroken, ruches, gaten of kant. Hij laat zien hoe simpele keukenruitjes of streepstofjes ontwerpers inspireerden tot de meest exuberante creaties, hoe je een vrouw door een jurk van kanten vlokjes in een vogel kunt veranderen en hij laat ons uitvoerig stilstaan bij het fenomeen ‘bloemetjesjurk’ dat zich in de afgelopen eeuwen in talloze gedaantes manifesteerde met als climax een avondjurk van Lacroix uit 2007, die zelf één grote bloem is.

De associatieve presentatie zorgt dat het publiek al kijkend voortdurend aan het vergelijken is en oog krijgt voor details waaraan je verschillende modeontwerpers of periodes kunt herkennen. Na enkele vitrines haal je de elvenjurken van Madeleine Vionnet er zo uit, of de abstracte motieven van Sonia Delaunay. Er is maar één nadeel aan deze tentoonstelling: je kunt de vitrines niet in, de jurken niet aanraken, of nog beter: aanpassen. Het is, helaas, geen winkel.

Les Arts Décoratifs, 107 Rue de Rivoli, Parijs. Open di t/m vij 11-18 u, za en zo 10-18 u. Cat. € 49,-. T/m 20 april. Inl.www. lesartsdecoratifs.fr