Jonge wapendragers

Studies naar wapenbezit en -gebruik van scholieren zijn soms verwarrend. Maar er moet iets gebeuren. Mathys van der Harst

illustratie milo Milo

Begin februari werd in Zoetermeer een 13-jarige jongen neergestoken, eind januari een 16-jarige scholier in Breda en een 16-jarig meisje in Rotterdam, en in december werd een 18-jarige jongen in Hendrik Ido-Ambacht doodgestoken. In oktober waren er drie steekpartijen op scholen in Amsterdam en Rotterdam; een Amsterdamse scholier kwam om het leven. De verdachten waren steeds leeftijdgenoten van de slachtoffers.

Afgaande op dit soort verhalen zou je nog gaan denken dat menig scholier tijdens de lunch zijn mandarijntje schilt met een vlindermes. Hoe erg is het echt?

Verschillende onderzoeken naar wapenbezit en wapengebruik binnen het Nederlands voortgezet onderwijs leveren verwarrende resultaten op. De meest recente cijfers zijn afkomstig van de Nationale Scholierenmonitor 2007, die op initiatief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in april en mei werd uitgevoerd. Ruim 5.000 leerlingen van 45 verschillende middelbare scholen vulden de enquête in. De bewering ‘Sommige leerlingen hebben wapens’ (onderdeel van de vraag ‘Hoe vaak gebeuren de volgende zaken bij jou op school?’) werd door 36,7 procent van de leerlingen bevestigend beantwoord. De tweejaarlijkse monitor rapporteerde in 2005 nagenoeg hetzelfde percentage.

opgeblazen

Volgens Herman Schrijver (61), directeur van het Overbetuwe College in Huissen, een vmbo-school, geven die onderzoeksresultaten een vertekend beeld. Zo zou de term ‘wa p e n ’ niet eenduidig genoeg zijn en wordt het aantal gevallen van wapenbezit opgeblazen. “Als er ook maar in één klas een jongen met een mes rondloopt, dan vullen zijn 25 klasgenoten in dat ze getuigen zijn van wapenbezit binnen de schoolmuren. Vervolgens wordt er geroepen: ‘Moet je eens kijken hoe vaak daar met een mes gezwaaid wordt’, terwijl het in werkelijkheid om één en dezelfde constatering gaat.”

De Veiligheidsmonitor Voortgezet (Speciaal) Onderwijs uit 2006 komt dan ook met een lager percentage: zeven procent van de geënquêteerde scholieren geeft aan dat ze in het lopende schooljaar een enkele keer of vaker een wapen heeft gebruikt. Aan dit onderzoek, eveneens in opdracht van het Ministerie van OC&W, namen zestien keer zo veel leerlingen deel als aan de Nationale Scholierenmonitoren van 2005 en 2007.

De resultaten van de Veiligheidsmonitor liggen redelijk op één lijn met die van het rapport ‘Agressie en geweld in het onderwijs’ uit 2004, uitgevoerd door onderzoeksbureau Research voor Beleid, alweer in opdracht van het Ministerie van OC&W. Hieruit blijkt dat 11 procent van het onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel uit het voortgezet onderwijs dat jaar getuige is geweest van wapengeweld tussen scholieren. Daarbij ging het niet altijd om een slag- of steekwapen, maar ook om bijvoorbeeld stokken en andere voorwerpen waarmee je hard kunt slaan.

klem

Uit groepsgesprekken met geënquêteerden werd ook duidelijk dat leerlingen uit het praktijkonderwijs sneller een wapen ter hand nemen dan vmbo-, havo- of vwo-leerlingen, al zijn precieze cijfers daarover niet bekend. “Dat komt omdat die kinderen klem zitten in onze maatschappij”, zegt Schrijver. “Ze hebben weinig capaciteiten en vallen gedragsmatig uit de boot. Dat onvermogen uit zich in agressie. Ze redeneren niet en gaan niet in discussie, maar slaan er meteen op los.”

Hoewel het Ministerie van OC&W de Tweede Kamer in mei 2004 verzekerde de veiligheidsituatie in en rondom scholen structureel en systematisch in kaart te brengen, laten veel vervolgen op de uitgebrachte rapporten op zich wachten. Ruim 250 scholen namen daarom de afgelopen jaren het heft in eigen hand en sloten zich aan bij Incidenten Registratie in Scholen (IRIS). Schrijvers school is daar een van. Met dit systeem kunnen onderwijsinstellingen hun eigen incidentenregistratie bijhouden – niet alleen wapenbezit, maar bijvoorbeeld ook pesten of vernieling. “Het is een vrij eenvoudige methode. Alle incidenten komen bij de conciërge terecht, ons centrale meldpunt. Hij zorgt ervoor dat ze in de computer worden ingevoerd”, aldus Schrijver. Via internet kunnen scholen zichzelf ook vergelijken met landelijke gemiddelden, maar niemand kan zien hoe goed of slecht specifieke scholen scoren.

Het registratiesysteem, dat acht jaar geleden in opdracht van de MBO Raad door onderzoeksbureau DSP-groep ontwikkeld werd, was oorspronkelijk alleen bestemd voor een selecte groep Amsterdamse onderwijsinstellingen, maar groeide uit tot een landelijk project. Gebruikers registereren doorgaans zowel de voorgevallen incidenten, als de manieren waarop ze deze afhandelen. Aan het eind van elk schooljaar worden de gegevens uit het hele land verzameld en onderworpen aan een uitgebreide analyse.

Het bleek onder meer dat in de periode 2006/2007 slechts 28 procent van de scholen bij wapenvondst de politie op de hoogte stelde. De verklaring ligt volgens Herman Schrijver voor de hand. “Als school wil je een goede indruk maken op de buitenwereld, omdat je anders geen nieuwe leerlingen meer krijgt. Het gevolg is dat met dit soort incidenten niet naar buiten wordt getreden.” Het aantal aangiftes van wapenbezit door Nederlandse onderwijsinstellingen zou dus wel eens een vertekend beeld van de werkelijkheid kunnen geven. Cijfers uit de IRIS Jaaranalyses zullen daarentegen hoogstwaarschijnlijk minder door de vrees voor reputatieschade worden beïnvloed, omdat de registratie daarin anoniem gebeurt.

afspiegeling

Het aantal in IRIS ingevoerde voorvallen waarbij wapenbezit werd geconstateerd, lag in het jaar 2006/2007 op een vergelijkbaar niveau als in 2005/2006. Hoewel het aantal registraties van 52 naar 70 steeg, bedroegen deze gevallen in beide jaren ongeveer 1 procent van het totale aantal incidenten. Er moet echter wel worden opgemerkt dat ook deze cijfers niet per definitie een goede afspiegeling vormen van de werkelijke situatie. “Wapenbezit wordt niet altijd opgemerkt en de scholen die meedoen bepalen zelf wat ze registreren in IRIS”, zegt Sander Flight, die zich als onderzoeker van DSP-groep bezighoudt met het systeem. Ook bepalen scholen zelf wat ze onder een wapen verstaan. “Scholen die niks gewend zijn, nemen een klein incident misschien heel hoog op, terwijl op een scholengemeenschap in Amsterdam- West die grens misschien toch wat hoger ligt”, aldus Flight.

monitor

Dat scholen zelf bepalen wat ze registreren, verklaart ook dat er in het schooljaar 2005/2006 slechts 52 keer wapenbezit geregistreerd werd, terwijl een kleine 600 scholieren in de Veiligheidsmonitor uit 2006 bekende dat jaar wel eens een wapen te hebben gebruikt. De scholen registreren kennelijk te weinig.

Staatsecretaris van OC&W Marja van Bijsterveldt, die vorig jaar al liet weten daar wat aan te willen doen, presenteerde op 17 januari in de Tweede Kamer haar plan van aanpak. Ze wil ‘veiligheidsteams’ inzetten die, op verzoek van de scholen zelf, het gevoerde veiligheidsbeleid doorlichten en oplossingen aandragen voor eventuele knelpunten. En daarnaast wil Van Bijsterveldt scholen gaan verplichten om alle incidenten op een eenduidige manier te registreren.

Maar volgens Flight zal er een verschil blijven bestaan in de manier waarop scholen hun cijfers verzamelen. “Als een school ervoor kiest om heel streng op wapenbezit te gaan controleren, dan zullen ze dat hoogstwaarschijnlijk ook vaker constateren en registreren.” Als het om wapenbezit gaat, kunnen scholen dus niet alleen afgerekend worden op het aantal geregistreerde voorvallen.

Op scholieren gerichte campagnes als ‘Ik draag geen wapen’ van het Ministerie van Justitie (sinds november 2007) en ‘Loop jij wapenvrij’ van de Stichting Tegen Zinloos Geweld (sinds oktober) alle scholen extra alert maken op verboden wapenbezit, hebben volgens Flight weinig zin. “Scholen die een veiligheidsbeleid voeren, stellen daarin hun prioriteiten”, zegt hij. “Die zullen zij door de acties niet spontaan overboord gooien. Ook onderwijsinstellingen die hun kop liever in het zand steken, zullen door de campagnes niet snel van gedachten veranderen.”

Directeur Herman Schrijver is het daarmee eens. “Leerlingen met een wapen op zak zullen niet denken: ‘Oh, nou ik dat spotje heb gehoord, laat ik het maar thuis.”

www.iris-vo.nl/