In Fictie

In de actualiteit wordt de literatuur weerspiegeld. Deze week het aftreden van líder máximo Fidel Castro in het licht van Gabriel García Márquez’ De herfst van de patriarch.

Het was een gelukkige week voor iedereen die op zoek is naar fictie bij de feiten. Theaterbeest Johan Heesters wordt in Amersfoort geconfronteerd met zijn oorlogsverleden – wie denkt er niet aan de hoofdfiguur van Klaus Manns collaboratiesatire Mephisto (‘Ik ben toch alleen maar een heel gewone toneelspeler’)? Johan Cruijff werpt zich op als de verlosser van een club van ‘godenzonen’ – tijd om de triomfantelijke terugkeer van de held Achilles naar het Griekse leger in de Ilias te herlezen! En in Cuba treedt Fidel Castro na 49 jaar terug als líder máximo, daarmee associaties oproepend met een hele stapel Zuid-Amerikaanse romans waarin oude, verworden dictators een hoofdrol spelen.

De mooiste daarvan is De herfst van de patriarch van Gabriel García Márquez, een lyrisch epos over de dood en het leven van de dictator van een Columbia-achtig land. De kracht van de roman zit hem niet alleen in de schoonheid van de zinnen (die soms wel drie bladzijden lang zijn) of in de verbluffende vervlechting van verschillende tijden en vertelstemmen, maar ook in het tragikomische beeld van de verlopen dictator, compleet met zakbreuk en platvoeten. Want zoals veel dictators heeft ook deze Zacarías Alvarado oprecht de illusie dat hij een goede patriarch voor zijn volk én een factor van belang in de geschiedenis is geweest.

De herfst van de patriarch verscheen in 1975, twee jaar na de staatsgreep van Pinochet in Chili en in het jaar dat generalísimo Franco in Spanje (waar Márquez zijn roman schreef) op sterven lag. Maar Márquez wilde met zijn boek geen commentaar geven op de caudillos van zijn tijd; hij beschreef een type. ‘De Latijns-Amerikaanse dictator,’ zo zei hij ooit, ‘is misschien wel de enige mythische figuur in de geschiedenis van het continent.’ Erg interessante figuren, noemde hij de patriarchen: ‘Soms waren ze zelfs sympathiek, maar dat wil nog niet zeggen dat ze niet slecht waren.’

Ziehier een mooie kenschets van zijn oude vriend Fidel, die Cuba bijna een halve eeuw met harde hand regeerde en dinsdag in de partijkrant Granma verklaarde: ‘Mijn wens was tot mijn laatste ademtocht door te gaan. Maar ik zou mijn geweten verraden door een verantwoordelijkheid te aanvaarden die meer mobiliteit vereist dan ik kan bieden.’ Een uitspraak die Márquez’ hoofdpersoon Alvarado nooit gedaan zou hebben. Immers: ‘het enige identiteitspapier van een afgezette president hoort zijn overlijdensakte te zijn.’

Dat laatste zegt Alvarado overigens in zijn hoedanigheid als de man die een soort rusthuis opzet voor de onttroonde dictators van het continent. Zelf zal hij tot het bittere einde toe aanblijven, onder het motto: ‘Ik denk er niet over om ooit nog dood te gaan, godverdomme, laat de anderen maar doodgaan.’ Heel lang leek het alsof Castro er ook zo over dacht. Tot afgelopen dinsdag. Anders dan Alvarado heeft hij op tijd ingezien dat ook een líder máximo sterfelijk is.

Gabriel García Márquez: De herfst van de patriarch. Vert. M. Sabarte Belacortu. Meulenhoff, € 12,50.