‘Ik heb nergens een plek om naar terug te keren’

Centraal in het Keniaanse conflict staan ruzies over grondbezit. Veel gebieden die nu worden opgeëist als ‘voorvaderlijk’ zijn in feite kunstmatige constructies uit de koloniale tijd.

Wanjiku kon haar ogen niet geloven. Het oude Kikuyu-vrouwtje keerde vorige week terug op haar akkertje bij haar hoeve en trof er 62 onbekende familieleden aan. Allen waren verjaagd van hun stukje grond elders in Kenia tijdens het geweld na de omstreden verkiezingen, geen van hen had een huis meer om naar toe te gaan. Dus gingen ze naar de verre tante Wanjiku in de Central Province, de voorvaderlijke grond van de Kikuyu’s. Maar bij Wanjiku kunnen ze niet blijven, want land is er schaars en de regio overbevolkt.

De oude Julius Gathama vluchtte van zijn landbouwgrond in de provincie Rift Valley naar de stad Nakuru. „Ik krijg spierpijn van het wachten in een voedselrij”, klaagt hij over het leven in een opvangkamp, „wij boeren willen werken, niet wachten”. Gathama woonde sinds 1943 in Rift Valley, zijn vader was een voorman van blanke kolonisten. „Ik ken niemand in de Central Province van mijn voorvaders, ik heb nergens om naar terug te keren, alleen mijn eigen akker in Rift Valley. Maar ik kan daar niet aankomen als een pasgeboren kind, zonder iets en zonder veiligheid. Mijn huis, mijn toilet, mijn maïs, alles ging er verloren.”

Kenia heeft een gigantisch landprobleem, dat ruim honderd jaar geleden begon. „Kenia staat aan de rand van de afgrond, want de conflicten om land werden nooit opgelost. Bemiddelaar Kofi Annan moet landhervormingen hoog op de agenda zetten, anders komt er nooit meer rust”, zegt Odenda Lumumba van de niet-gouvernementele organisatie Kenya Land Alliance in Nakuru. „Eerdere gevechten om land in Rift Valley vonden plaats in 1992 en 1997, de onlusten van de afgelopen weken waren de climax van een te lang genegeerd probleem.”

Het geweld op het platteland was vorige maand het hevigst in Rift Valley, de grootste en meest gemêleerde provincie. Ordetroepen verloren er de controle en jonge oproerkraaiers namen de macht over. Ruim een half miljoen inwoners van de provincie raakten ontheemd, van wie 300.000 nu in kampen verblijven. Met pijl en boog en machetes bewapende jongeren van de oorspronkelijke Kalenjin-bewoners doodden en verdreven „immigranten”, vooral maar niet alleen Kikuyu’s. Ook Baluhya’s en Luo’s, die net als de Kalenjin op de oppositie stemden, moesten het veld ruimen. Het conflict in Rift Valley afschilderen als een stamgevecht of als etnische zuiveringen van Kikuyu’s camoufleert de historische oorzaken.

De Maasai-profeet Mbatiany deed lang geleden de voorspelling dat witte vogels en een lange slang zouden arriveren. Hij kreeg gelijk: de blanke Britten bouwden begin vorige eeuw een spoorweg van de Indische Oceaan naar het Victoriameer en verdreven alle Maasais die langs de ijzeren slang woonden. De latere gouverneur van Kenia, Lord Delamere, ‘kocht’ in 1903 100.000 acre voor 200 Britse ponden per jaar; de Maasais werden naar een wildreservaat verwezen.

Voor de Britten gold Rift Valley als het juweel in de kroon en ze noemden de provincie de White Highlands. Na de verjaging van de oorspronkelijke nomadische volkeren uit de meest vruchtbare gedeeltes, begonnen ze leden van naburige landbouwvolkeren als arbeiders op hun landerijen te rekruteren. In het geheugen van de verdrevenen kreeg Rift Valley de status van verloren paradijs, eens moest het worden terugveroverd.

De kolonisten stelden hun arbeidsreservoir samen op stambasis en ze ronselden vooral Kikuyu’s voor hun boerderijen in Rift Valley. „Na 1930 stelden de Britten etnische reservaten in om tegemoet te komen aan Afrikaanse eisen voor land”, vertelt Odenda Lumumba. Om deze etnische opdeling te vergemakkelijken ‘stichtten’ ze stammen: verscheidene tribale groepen werden samengevoegd tot de ‘Kalenjin-stam’, en zestien kleinere clans gingen samen de ‘Baluhya’ heten, ieder met hen toebedeelde reservaten.

Dat koloniale verleden is nog lang niet uitgewist. Reizen Kenianen naar hun ‘stamgebied’ dan zeggen ze nog steeds: „we gaan naar ons reservaat”. Dat reservaat komt sinds de grondige herverkaveling vóór en na de onafhankelijkheid in 1963 al lang niet meer overeen met de oorspronkelijke geboortegrond. „Die nonsens over voorvaderlijke gronden moet stoppen”, verkondigt Odenda Lumumba nadrukkelijk. „In het moderne Kenia kun je niet meer zeggen dat de ene groep hier iets mag bezitten en de andere niet, je kunt de klok niet meer terugdraaien. Kenia is niet gebaat bij bantustans, zogenaamde thuislanden als in Zuid-Afrika onder de apartheid.”

Met 80 procent van de bevolking op het platteland en ook de stedelingen die een stukje grond willen voor hun pensioen bestaat er een grote landhonger. Maar slechts 10 procent van Kenia bestaat uit goede landbouwgronden. De bevolking groeide van 8,6 miljoen in 1962 tot 37 miljoen nu. Dat betekent dat er slechts één acre (ruim 4.000 vierkante meter) beschikbaar is voor 2,5 Kenianen. De druk op het beschikbare land is te groot geworden, door een niet snel genoeg groeiende industrie en met 70 procent van de bevolking onder de dertig jaar.

„Hoe kunnen de politici dit probleem oplossen als ze zelf het meeste land bezitten?” vraagt Odenda Lumumba retorisch. „Bij de landonteigeningen de afgelopen weken werd geen enkele grote grondbezitter doelwit, alleen de kleine boertjes.” Oppositieleider Odinga beloofde in zijn verkiezingscampagne majimboism, een federale structuur, als „laatste bevrijding”. Zijn kiezers legden dit uit als een nieuwe herverkaveling van grond, waarbij de Kikuyu’s hun dominante positie zouden verliezen. Maar de landmagnaten komen van alle stammen.

De Arabieren waren duizend jaar geleden de eerste „landgraaiers” in Kenia, gevolgd door de Britten en daarna een klasse rijke Afrikanen die het land van de kolonisten opkochten. Gebruikmakend van hun controle over het staatsapparaat eigenden achtereenopvolgende presidenten zich enorme stukken land toe of gaven het weg voor politieke steun. De familie van Kenia’s eerste leider Kenyatta is eigenaar van kilometers lange lappen grond, ze bezit de grootste zuivelindustrie en heeft belangen in hotels, verzekeringsmaatschappijen en banken.

Ex-president Moi bouwde een al even groot imperium op en huidig president Kibaki heeft land en hotels. Kibaki’s zakenpartners zijn tevens zijn politieke bondgenoten, zoals de voormalige ministers Simon Nyachae en Njenga Karume en Joe Wanjui, rector magnificus van de universiteit van Nairobi.

Betty leeft sinds haar vlucht uit Rift Valley in een ontheemdenkamp in Nakuru. Haar kleren gescheurd, haar hoofd in de war. „Ik ben een Kikuyu, mijn echtgenoot is een Kalenjin. Ik begrijp nog steeds niet waarom hij me verstootte direct na de verkiezingsuitslag.” Op de vraag waar ze nu heen moet, heeft ze geen antwoord. „Of misschien toch wel”, zegt ze met een ondeugende lach. „Hier bij Nakuru hebben de families van Kenyatta, van Moi, van Delamere en van Kibaki grote landerijen. Misschien moeten we die maar gaan bezetten.”