Ik ben geen boodschappenmeisje

„Zit niet te lullen, je hebt het gewoon gedaan.” Strafpleiter Bénédicte Ficq is dol op het verdedigen van ontspoorde medeburgers. „Wat ik eng vind is dat mensen steeds minder het oordeel van de rechter accepteren.”

Ze valt met de deur in huis. De jassen zijn nog niet uit of: „Hebben jullie Trouw van vanochtend gezien? Harm Brouwer wil een maatschappelijk debat over de rol van burgers bij de opsporing van misdrijven. Peter R. de Vries heeft goed werk geleverd, zegt hij. Hij is gek geworden. Als baas van het Openbaar Ministerie had hij zich moeten distantiëren van die uitzending. Maar hij wil zelf óók graag criminele burgerinfiltranten kunnen inzetten, en hij hoopt door de actie van De Vries het tij mee te krijgen.”

Strafrechtadvocate Bénédicte Ficq (50) maakt zich wel vaker kwaad, vooral als in haar ogen de zuiverheid van het recht in het geding is. Over haar cliënt Marcel T., die de moord op de linkse activist Louis Sévèke heeft bekend en die kort na dit interview terechtstaat, wil ze niets zeggen.

Later in het gesprek, bij haar thuis, vertelt ze dat zijzelf in elke zaak de regie wenst te hebben bij het bepalen van de verdedigingsstrategie. Dat is als het wéér over Joran van der Sloot gaat. De kwestie zit haar hoog. „Peter R. de Vries is met een heel team volwassen mensen bovenop die jongen gedoken, een adolescent nog, die ten tijde van de verdwijning van Natalee Holloway minderjarig was. Dus als hij ooit nog vervolgd gaat worden, is het minderjarigenstrafrecht op hem van toepassing. Daar hoort een strafproces achter gesloten deuren bij. Het tegenovergestelde is nu gebeurd: de privacy van deze jongen is ernstig geschonden en hij is door opperrechter Peter R. de Vries ten overstaan van zeven miljoen kijkers voor de komende tien jaar gebrandmerkt als psychopaat. In Nederland, in de VS en op Aruba zal hij geen leven hebben.”

„Wat ik eng vind, is dat mensen steeds minder geneigd zijn om het oordeel van de rechter te accepteren. Dat geldt niet alleen bij Joran van der Sloot, maar je ziet het bijvoorbeeld ook in de zaak Lucia de B., en in de zaak van Ernest Louwes is het nog duidelijker. Hij is tot twee keer toe onherroepelijk veroordeeld, ik weet niet hoeveel rechters zich erover hebben uitgelaten, en toch beschuldigt Maurice de Hond een ander.

„Als strafrechtadvocaat weet ik hoe ingewikkeld het is om een zaak op zijn merites te beoordelen. Meestal zijn de dingen niet zoals ze oppervlakkig bezien lijken. De pers brengt uit het hele dossier maar een fractie van wat zich in werkelijkheid heeft afgespeeld, en door een krant als De Telegraaf wordt die fractie ook nog eens op een hijgerige manier gepresenteerd. Natuurlijk heb je gerechtelijke dwalingen, zoals in de Schiedammer Parkmoord en de Puttense moordzaak. Maar daarmee is niet gezegd dat de burger zaken zelf beter kan beoordelen. Wij kennen in dit land geen lekenrechtspraak, en dat moet wat mij betreft zo blijven.”

De school is uit, dochter van dertien waait binnen met een stoet vriendinnen. Even later arriveert ook de zoon van elf met vriendjes. De ruwharige teckels Piet en Kees sluit ze op in de garage vanwege hun geblaf, maar als ze ontsnappen neemt ze de grootste lawaaischopper (Piet) op schoot.

In het normale dagelijkse leven overheerst bij Ficq de Limburgse bonhomie en windt ze zich zelden op. Maar over de bezuiniging van tien miljoen op de gefinancierde rechtshulp, en vanaf 2009 nog eens vijftig miljoen, maakt ze zich grote zorgen. „Het is een schandalige en domme bezuiniging. Ik kom oorspronkelijk uit de sociale advocatuur en neem nog steeds veel pro deo-zaken aan, het is ongeveer de helft van mijn praktijk. Ik doe de zogenaamde ‘extra bewerkelijke zaken’, en op de vergoedingen daarvoor is absurd bezuinigd. De Raad voor de Rechtsbijstand, die de tarieven bepaalt, rekent voor het lezen van dossiers drie pagina’s per minuut. Een dossier van tweeduizend pagina’s word je dus geacht in elf uur te lezen. Terwijl ik soms al tijden zit te puzzelen op één tapgesprek, tot de lidwoorden aan toe. Ook het contact met de familie van de verdachte wordt bijvoorbeeld niet meer vergoed.”

„Van de verdachten in voorlopige hechtenis is vijfennegentig procent afhankelijk van een pro deo-advocaat, dus het gaat echt niet om een handjevol arme sloebers. Ga maar na, mijn gewone tarief is 250 euro per uur en daarmee ben ik nog lang niet de duurste. Dat kunnen niet veel mensen betalen. Bij vermogende criminelen wordt door justitie beslag gelegd op hun bezittingen, dus die kunnen evenmin uit eigen zak hun verdediging betalen. Willem Holleeder heeft ook een pro deo-advocaat. Maar wat gaat er nu gebeuren? Alleen onervaren advocaten die het vak moeten leren zullen nog bereid zijn om pro deozaken op zich te nemen, en in veel gevallen zal de cliënt het gevoel hebben dat hij niet goed verdedigd is. Hij gaat in beroep, ook als de zaak eigenlijk rond is. Zonde van het geld.”

Het is van dezelfde kortzichtigheid als de roep om hogere straffen, meent Ficq. „Als je wilt scoren op het front van veiligheid, is het veel effectiever om mensen af te houden van recidive. Iemand die tien jaar binnen heeft gezeten, komt verbitterd en gefrustreerd weer naar buiten. Zeker nu er door het ernstig versoberde gevangenisregime niets meer met mensen gebeurt. Als gedetineerden om wat voor reden dan ook niet willen of kunnen werken, zitten ze 23 uur achter de deur. Dat was vroeger heel anders, toen konden ze uren per dag buiten hun cel verkeren. Daarbij zitten ze sinds een paar jaar verplicht met twee op een cel, wat door veel gedetineerden als zwaar wordt ervaren. En aan resocialisatie, voorbereiding op de terugkeer in de maatschappij, wordt niets meer gedaan.”

Piet en Kees slaan aan. Ficqs partner Dorine Hermans, historica en journaliste, arriveert met de fiets. Of zij nog een vraag kan beantwoorden, grapt ze. Misschien deze: Spreekt Ficq met haar weleens over emotioneel-moeilijke zaken, om haar hart te luchten? Hermans: „Zelden. Bénédicte heeft sowieso heel weinig aandacht nodig voor zichzelf. En ze kan het werk goed achter zich laten. Als ze thuiskomt, trekt ze haar schort aan en gaat aardappels schillen. Dan is ze Mien met de aardappels.”

Ficq werkt al tweeëntwintig jaar als advocaat, sinds 1992 bij het Amsterdamse kantoor Meijering, Van Kleef, Ficq en Van der Werf. Ze groeide met drie zusjes op in het Zuid-Limburgse Heuvelland, in het gehucht Schweiberg. Haar vader was burgemeester, haar moeder een Frans sprekende Belgische, uit Brugge. In eerdere interviews schetste ze graag een beeld van zichzelf als zorgeloos paardenmeisje, dat leefde bij de waan van de dag en helemaal niet bezig met zaken van maatschappelijk belang. Zelfs al kwam ze uit een familie van juristen, lange tijd wees niets erop dat ze een carrière in de advocatuur zou nastreven. Tijdens haar studie rechten in Groningen heeft ze voornamelijk gefeest. Pas op het moment dat ze ging werken als advocaat, sloeg de vonk over. Zo gaat het verhaal. Dorine Hermans vertelt echter dat er in haar jeugd wel degelijk al tekenen waren: „Toen ze een jaar of zes was, werd Bénédicte ‘advocaatje’ genoemd. Ze daagde haar zusjes uit om foute dingen te doen, en als ze dan straf kregen, ging ze hen verdedigen.”

Lukt het Ficq om een veeleisende baan te combineren met een gezin? „Iedereen op kantoor vindt het belangrijk om een normaal leven te hebben. We hechten allemaal erg aan ons privéleven, onze kinderen, onze partners. En we willen plezier hebben. We hebben onvoorstelbaar veel lol op kantoor. Ik werk zelden of nooit in het weekeinde, en ’s avonds al helemaal niet. Ik wil niet alleen maar advocaat zijn in het leven, ik wil ook mens zijn. Ik bewaak mijn grenzen uitermate goed. Dat ik van nature heel lui ben, helpt daarbij. Ik zal bijvoorbeeld niet snel een klant aannemen die gedetineerd zit in Almelo. Dan moet het echt een bijzonder interessante zaak zijn, anders zeg ik tegen zo iemand: het is me te ver, in het oosten van het land heb je ook uitstekende advocaten. Vroeger verkocht ik al mijn persoonlijke goederen aan mijn zusjes, om geen huishoudelijke klussen te hoeven doen. We hadden steeds een week corvee, en als ik aan de beurt was, zei ik: ‘Oké, wat wil je? Mijn transistor? Mijn cassetterecorder?’ Als ik maar niks hoefde te doen. Tot ik op een gegeven moment geen spullen meer over had, toen moest ik er alsnog aan geloven.”

„Een belangrijke ervaring als advocaat had ik op straat. Ik liep door het Vondelpark met een paar vrienden. We zagen een man, een vrouw en een kindje in een kinderwagen. Die man was de vrouw zwaar aan het mishandelen. Het kindje gilde van angst. Het was afschuwelijk. We hebben de politie gebeld, en later zeiden mijn vrienden, heel emotioneel: ‘En zo’n klootzak ga jij zeker verdedigen, hè?’ ‘Nee’, zei ik. ‘Dat kind ga ik verdedigen.’ Want dat is waar alle ellende steeds vandaan komt. Zo’n kind ziet dat geweld gebeuren, gaat het normaal vinden in een fase waarin de gewetensfunctie wordt gevormd, en heeft een grote kans om later zelf gewelddadig te worden. Waarmee ik niet wil zeggen dat iedereen die een rotjeugd heeft gehad later ontspoort.”

„Ik herinner me nog goed mijn allereerste moordzaak. Ik was stagiaire. Het ging om een jongen die was opgevoed door een prostituee. Hij werd als klein kind verwaarloosd en mishandeld door zijn moeder. Ze liet hem alleen achter als ze naar haar werk ging. Op zijn zeventiende is hij, geïnspireerd door de film Helter Skelter over Charles Manson, een oefenmoord gaan plegen op zijn buurman. Het was een afschuwelijk wrede moord. Toen heb ik voor het eerst ervaren wat het met je doet als je kapot gemaakt bent in de jaren die ertoe doen. Dáár moet je dus geld in pompen, in de jaren die ertoe doen. Zorgen dat je een systeem hebt waarmee zo’n gezin erbij gehaald wordt, dat er iets gebeurt als het mis dreigt te gaan. Mensen doen in onvermogen hun kinderen verschrikkelijke dingen aan, en die kinderen worden gewoon crimineel. Ik heb die jongen gevraagd wat hij voelde toen hij die buurman vermoordde, die maar niet doodging. ‘Helemaal niks,’ zei hij. Hij had geen gevoel meer, dat was vernietigd in zijn vroege jeugd.”

De ene keer is het moeilijker dan de andere om zich in haar cliënt te verplaatsen, vertelt Ficq. Het lukt ook niet altijd. „Dat is het mysterie van het leven, waarom het bij sommige mensen zo vreselijk mis kan gaan, terwijl daar geen aanwijsbare oorzaak voor is. Ze hebben geen aantoonbare psychiatrische aandoening, ze hebben geen nare dingen meegemaakt in hun vroege jeugd, en toch komen ze tot de meest gruwelijke strafbare feiten.”

„Het gebeurt weleens dat ik helemaal niets heb met een cliënt. Dat is lastig, want er moet op zijn minst een ‘werkklik’ zijn. Soms draag ik de zaak dan over. Het is ook weleens voorgekomen dat ik een cliënt aanvankelijk een ongelofelijke klootzak vond, maar opeens zijn gedrag in het perspectief van zijn stoornis kon zien en met een zeker mededogen naar zijn onvermogen kon kijken.”

„Ik praat vaak met cliënten over wat ze hebben gedaan, en dan zeg ik ze ronduit wat ik daarvan vind. Soms zeg ik ook tegen een cliënt die veroordeeld is dat hij die straf gewoon verdiend heeft. Kort geleden heb ik een jongeman bijgestaan, een recidivist, die ernstige strafbare feiten pleegde. Ik zou hem in hoger beroep verdedigen. Wéér wilde hij eronderuit komen, terwijl ik wist dat hij het gedaan heeft. Dus ik zeg tegen die jongen: ‘Zit niet te lullen, je hebt het gewoon gedaan.’ Hij zegt: ‘Ja, ik heb het gewoon gedaan.’ Oké, toen konden we verder praten. ‘Heb jij nu niet eens genoeg van dit kutleven?’ vraag ik. ‘Bewijs me dat je er genoeg van hebt, en zeg in de rechtszaal dat je het gedaan hebt.’ En die jongen zegt tegen de rechter: Ik heb Het gedaan. Dat vond ik een mooi moment.”

Eist ze van haar cliënten dat ze haar de waarheid vertellen? Wil ze altijd weten of ze het gedaan hebben? Ficq: „Wel als het van invloed kan zijn op de verdediging. Als ik weet dat ze het gedaan hebben, ga ik bijvoorbeeld geen getuigen oproepen die mogelijk belastende verklaringen kunnen afleggen. Maar ik hoef het niet altijd te weten. Soms is het zelfs beter van niet. Ik probeer wel een vertrouwensband te scheppen met de cliënt om te ontdekken hoe hij tot zijn daad is gekomen.”

Meestal zijn het eenlingen Ficqs cliënten. Ze vestigde haar naam met de ‘balpenzaak’, waarbij een jongen verdacht werd van de moord op zijn moeder. Hij zou haar gedood hebben met een door een kruisboog afgeschoten Bic-pen. De verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

De ontsporingen van een individu boeien Ficq meer dan de georganiseerde misdaad. Toch verdedigt ze momenteel de meest gezochte onderwereldfiguur van Nederland: Dino S., volgens justitie een van de vertrouwelingen van Heinekenontvoerder Willem Holleeder. Het blijkt een principezaak te zijn voor haar. Ze maakt zich grote zorgen, zegt ze, over de handelwijze van sommige officieren van justitie.

„Er zijn een paar crimefighters die er persoonlijk zo op gebeten zijn om bepaalde mensen achter de deur te krijgen, dat ze zich niet meer bekreunen om de eerlijkheid van het proces, met het risico dat een onschuldige wordt veroordeeld. De waarheidsvinding moet altijd prevaleren. Het Openbaar Ministerie hoort zich magistratelijk te gedragen, te strijden met open vizier. Maar in plaats daarvan bedienen ze zich van smerige trucs en gedragen ze zich net zo boefachtig als de boeven die ze willen vangen.”

„Mijn kantoorgenoten en ik worden regelmatig gebeld door de politie met de mededeling dat een van onze cliënten op een dodenlijst staat. Dat lijkt een aardige geste, maar als je vraagt waar die informatie vandaan komt of waar die cliënt dan precies voor moet oppassen, krijg je niets te horen. Wat denken ze nou? Dat ik na zo’n tip op mijn fiets stap naar mijn cliënt, zodat ze weten waar hij zit?”

Wat ze bedoelt met ‘boefachtig’, illustreert Ficq met een verhaal dat haar kantoorgenoot Nico Meijering overkwam in de veelbesproken zaak rond de lekkende rechercheur Sjaak K. „Een cliënt van Nico, Hans van E., werd ervan verdacht betrokken te zijn bij het lekken van vertrouwelijke politie-informatie die hij gekregen zou hebben van Sjaak K.. Bij het Openbaar Ministerie ontstond de verdenking dat Nico op zijn beurt informatie doorgaf aan andere cliënten, zoals de Hells Angels en Mink K. Omdat hier geen bewijzen voor waren, zette het Openbaar Ministerie een val waarbij ook Nico betrokken werd. Ze speelden Sjaak K. valse informatie over Mink K. in handen in de hoop dat die informatie bij Nico terecht zou komen en dat hij er wat mee zou doen. Die val mislukte, maar ik ben er nog steeds razend over. Rázend!”

„Het is een waanidee dat advocaten zich voor karren laten spannen en zich inlaten met foute zaken, en Nico al helemaal niet. Ik weet dat hij deugt. Maar hij is wel bijna kapotgemaakt. Dus ja, ik wil Dino graag bijstaan om het gevecht met die jongens aan te gaan. Om te zorgen dat hij een eerlijk proces krijgt en niet wordt veroordeeld op basis van de verklaringen van een kroongetuige die er belang bij heeft om het verhaal op zijn manier te vertellen.

„Weet je dat ik weleens denk dat ik getapt wordt? Ik heb geen aanwijzingen dat het echt zo is, maar het is triest dat ik alleen al die gedachte kan koesteren. Het idee dat iemand mij zou kunnen wantrouwen vind ik verschrikkelijk, dat had ik als kind al. Het is een van de allergrootste beledigingen die ik me kan voorstellen. Ik ben geen boodschappenmeisje van mijn cliënten. Ik ben gewoon advocaat.”