Een huis in de geest van Gaudí

Bouwvakker Estevão Silva de Conceição had nog nooit van Antoni Gaudí gehoord. Maar de overeenkomsten tussen zijn huis in een sloppenwijk van São Paulo en Gaudí’s Parc Güell in Barcelona zijn opmerkelijk.

Iedereen noemt het nu ‘Casa de Pedra’ (Huis van de stenen), maar eigenlijk is Estevão Silva de Conceição het daar niet mee eens. De gevel van zijn sprookjespand in een sloppenwijk van São Paulo is weliswaar ingelegd met tienduizenden kiezels, maar hiertussen zijn – groot en klein – allerlei voorwerpen ingemetseld: theepotten, een leeuwenkop, kop-en-schotels, delen van etalagepoppen.

„Als mensen belden, nam ik aanvankelijk op met het ‘Versierde Huis’. Maar de mensen in de buurt, die alleen de gevel kennen, begonnen het Casa de Pedra te noemen. Of het Heksenhuis, het Indianenhuis of de Grot. Maar dat klopt allemaal ook niet; het is het ‘Huis van Alles’”, vertelt hij, thuis op de bank.

Achter de kiezeltjesgevel wacht bovendien de ‘tuin’: een doolhof van planten en ijzeren buizen die zijn ingelegd met – opnieuw – heel veel steentjes, maar ook met mozaïektegeltjes en nog meer tweedehandsprullaria. Via de buizen kom je tot acht meter omhoog en wacht er een uitzicht over de hele wijk. Achter de tuin heeft Estevão zijn huis, dat al even kleurrijk is. „Het komt vooral door de mozaïeken en de natuurlijke vormen dat mensen bij mijn huis altijd aan Gaudí moeten denken.”

Jarenlang kende Estevão het werk van de Catalaanse architect niet. Dit veranderde pas toen eind jaren negentig over zijn huis een reportage verscheen in een Spaanse tijdschrift. Het artikel werd gelezen door de organisatoren van een Gaudí-festival en zij haalden hem naar Barcelona, waar hij voor het eerst kennismaakte met het werk van de Catalaan. „Toen ik weer terug was en voor mijn eigen huis stond, besefte ik pas hoezeer ons werk eigenlijk op elkaar lijkt”, zegt hij nu.

Het huis is inmiddels bekend tot ver buiten de sloppenwijk. Bijna dagelijks krijgt Estevão bezoekers, soms ook buitenlanders. Zij laten meestal een klein bedrag achter, maar hij kan het zich nog niet veroorloven zijn twee baantjes als bouwvakker en tuinman op te zeggen. Zijn vrouw blijft tegenwoordig wel elke dag thuis om het bezoek te ontvangen. „Veel mensen zijn bang hier te komen. Dus ik weet zeker dat wanneer mijn huis niet in een sloppenwijk had gestaan, het nu een museum zou zijn geweest. Ook dan had ik er willen blijven wonen, maar dan kon ik er ten minste van leven.”

Zijn huis staat in Paraisópolos, met ruim 70 duizend inwoners de grootste favela van São Paulo, dat met ruim 20 miljoen inwoners weer de grootste stad van Zuid-Amerika is. Paraisópolis ligt in een van São Paulo’s chicste districten, Morumbí. Op een steenworpafstand van Estevão’s huis verschanst de elite zich in hoogommuurde villa’s en staan in showrooms Jaguars en Bentleys te glimmen. Dit rijke Brazilië gaat abrupt over in de uit bakstenen en hardboard opgetrokken sloppenwijk. Hier zitten diepe gaten in de weg, waarover een web van aftappende elektriciteitskabels is gespannen. Op straat vind je meer schurftige honden dan mensen.

Estevão streek hier neer nadat hij net als miljoenen andere Brazilianen uit het arme noordoosten op zoek ging naar werk in het zuiden. Hij begon begin jaren tachtig als bouwvakker in de hoofdstad Brasília. Op de steigers van een van de tientallen overheidsgebouwen, bedacht hij hoe hij zijn eigen huis wilde bouwen. „In ieder geval niet zo saai als alles in Brasília.”

Estevão trok verder zuidwaarts, belandde in São Paulo en kocht er in 1985 een stukje grond van 75 vierkante meter. Hij begon beetje bij beetje te bouwen. „Het geld dat ik wekelijks overhield, gebruikte ik om nieuwe materialen te kopen. Daarom heeft het 22 jaar geduurd. En is het nu nog niet af.”

Estevão heeft nooit gestudeerd voor architect of bouwkundige. Als bouwvakker wist hij wat wel en niet stevig was, en als tuinman hoe je een tuin moet opzetten. „Als ik rijker was geboren, had ik misschien kunnen studeren. Maar dat had niet echt uitgemaakt. Op de universiteit of de kunstacademie zitten misschien wel kinderen met slimme ideeën. Maar uiteindelijk moet je talent hebben om een huis te maken als het mijne. Ik had nooit een plan. Ik ben gewoon gaan bouwen. Het is gegroeid, zoals een tuin zou groeien.”