Een continent op zoek naar politieke wortels

Kosovo heeft deze week laten zien dat een altijd gemeenschappelijk buitenlands beleid van de Europese Unie nog steeds een illusie is. De grote drie – Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk – waren het eens over de onvermijdelijkheid van het erkennen van de nieuwe staat . Maar dat landen als Spanje en Roemenië geen aanstalten maken om tot erkenning over te gaan, geeft de uiteenlopende belangen aan.

Om het beeld te compliceren, gaat diezelfde Europese Unie Kosovo wel gewapenderhand beveiligen, economisch steunen en meebesturen, opdat ook de Servische minderheid zich beschermd weet. Die gezamenlijke inzet is belangrijk, maar kan het algemene beeld van verdeeldheid niet retoucheren. Want Kosovo is niet het eerste geval van divergentie binnen het buitenlands beleid van de EU. Die verdeeldheid werd ook in 2003 duidelijk, toen Duitsland en Frankrijk negatief waren over de Amerikaanse invasie in Irak, terwijl het Verenigd Koninkrijk die juist ten volle steunde.

Op zichzelf is dat geen nieuws. De EU kan op het gebied van buitenlands beleid alleen een vuist maken als de 27 lidstaten het eens zijn en dat is op wezenlijk terreinen niet altijd vanzelfsprekend. Het nieuwe verdrag, dat op 1 januari 2009 van kracht moet worden, zal hierin vermoedelijk amper verandering brengen. Het voorziet wel in de aanstelling van een ‘hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid’, die tevens vicevoorzitter van de Europese Commissie wordt, maar diens bevoegdheden moeten niet worden overschat. Hij draagt slechts het buitenland beleid van de EU uit voorzover dat unaniem door de 27 lidstaten is vastgesteld en wordt gesteund.

Europa is nog steeds allereerst een economische statenbond. Juist dat feit is geen reden voor vrijblijvendheid. De EU is intussen net zo’n grote economische macht als de VS. Die positie zou nog sterker zijn als de lidstaten op het gebied van protectie en staatssteun eenduidiger zouden optreden. Dankzij die ene markt zijn de verschillende landen minder kwetsbaar voor de conjuncturele en monetaire schommelingen dan vroeger. Maar deze macht is niet vanzelfsprekend, zeker niet in het licht van de globalisering. Daarom begint de discrepantie tussen economische macht en politieke onmacht te knellen.

Zo is het onvermogen om Rusland met één stem tegemoet te treden al jaren een probleem. De grote drie zijn niet in staat een gemeenschappelijk beleid te formuleren en ook de overige 24 lidstaten houden er hun eigen Ruslandpolitiek op na. Dit gebrek aan eensgezindheid laat niet alleen de voormalige satellietstaten in het nieuwe Oosten onbeschermd als het echt menens wordt, bijvoorbeeld bij een handelsboycot of stokkende gasleveranties, ook in het oude vrije Westen heeft deze meerstemmigheid repercussies.

Dat is niet zonder risico’s. Ideologisch is Rusland geen partij voor de Europese Unie, al is het maar omdat het huidige bewind geen coherente ideologie heeft, maar vooral een brandend verlangen etaleert om er als ‘grootmacht’ weer toe te doen. Maar economisch is die doctrine, hoe pover ook, wel van belang. Hoe men het ook wendt of keert, economie en politiek gaan in deze hand in hand.

Uiteraard is de EU geen verbond tégen Rusland. Ze moet dat ook niet worden. Maar het ontbreken van zelfs maar een begin van eenstemmigheid is wel pars pro toto voor het bredere probleem.

Jarenlang dacht Europa het af te kunnen met soft power, met het prestige van een cultureel gelouterd continent dat door schade en schande wijs was geworden. Die soft power is nu niet meer voldoende. Er moet meer hard power worden ontwikkeld. Zo is het ruim een halve eeuw geleden immers ook begonnen: namelijk als een kolen- en staalgemeenschap die één markt en beleid voor energie en grondstoffen mogelijk moest maken. Als de EU zich om te beginnen meer rekenschap zou geven van haar ontstaansgeschiedenis, zou er al wat zijn gewonnen.