‘Deze schilderijen zijn van ons allemaal’

Sinds vandaag hangt in het Mauritshuis een zeegezicht van Jan van de Cappelle. Het is de laatste aankoop van vertrekkend directeur Duparc. „Ik heb veel meer kunnen doen dan ik dacht.”

„Kijk, dit is hem!” Vol trots loopt Frits Duparc (1948) door de bovenzaal van het Mauritshuis, het Haagse museum dat hij bijna zeventien jaar leidde, naar een zeegezicht met zeilschepen. „Moet je zien hoe prachtig die wolkenlucht is geschilderd en hoe goed die vochtige atmosfeer is getroffen, met dat bleke zonnetje dat heel voorzichtig probeert door te breken. Kijk naar de zeilen, hoeveel verschillende nuances bruin zitten daar wel niet in? Dit schilderij is uitzonderlijk mooi van sfeer. Het is een van de drie of vier best bewaarde werken van Jan van de Cappelle ter wereld.”

Zeegezicht met schepen (1660) wordt vanaf vandaag getoond ter ere van het afscheid van Frits Duparc. Het is de laatste aankoop die de vertrekkende directeur voor het Mauritshuis heeft gedaan; in januari 2008 werd hij opgevolgd door Emilie Gordenker. Ook opent vandaag een expositie van de stillevenschilder Adriaen Coorte – die heeft Duparc als afscheidscadeau van zijn kunstvrienden gekregen.

Meer dan dertig topstukken wist Duparc in de afgelopen jaren voor het Mauritshuis te verwerven, waaronder Rembrandts Portret van een oude man, een Jacob van Ruisdael, drie Rubensen en een Hobbema – goed voor in totaal zo’n 65 miljoen euro. Dat is een ongelofelijke prestatie als je bedenkt dat het aankoopbudget van het Mauritshuis jaren niet meer was dan 150 duizend gulden. „Ik heb meer kunnen doen dan ik in mijn stoutste dromen had gedacht”, geeft Duparc toe. „Als u me zeventien jaar geleden had voorspeld dat ik een meesterwerk van Rembrandt zou verwerven, dan had ik getwijfeld aan uw verstandelijke vermogens.”

Het aankopen van kunstwerken vergt een lange adem, zegt Duparc. „Vaak denken mensen dat je gewoon naar een kunsthandel kunt gaan om daar iets uit te zoeken. Maar als je voor een museum verzamelt zoek je heel gericht naar de topwerken die zich nog in particuliere collecties bevinden. Soms is het een kwestie van jaren contact onderhouden met verzamelaars. Je volgt waar de schilderijen naartoe gaan. Als je dan hoort dat er een verkocht wordt, moet je direct je kans grijpen.”

Het zeegezicht van Van de Cappelle had Duparc al op het oog sinds 1979, toen hij nog conservator was van het Mauritshuis. „Ik zag het op een veiling in Londen en dacht: dit is iets voor Nederland. Maar het schilderij was zo duur dat ik er niet eens over durfde te dromen. Voor 2,25 miljoen gulden is het destijds verkocht aan een particuliere verzamelaar uit Zuid-Duitsland, die het in 1992 weer onderhands doorverkocht aan een Duitse verzamelaar die ik al heel lang ken. Vanaf dat moment ben ik regelmatig bij hem op bezoek geweest. En steeds zei ik: als je het werk ooit wilt verkopen, dan ben ik geïnteresseerd.”

Duparc betaalde uiteindelijk ongeveer acht miljoen euro voor Zeegezicht met schepen. Dat het Mauritshuis dat bedrag nu toch kon neerleggen is vooral te danken aan de vele sponsors die Duparc aan zich wist te binden. „Wat fondsenwerving betreft is er de afgelopen tien, vijftien jaar veel gebeurd. De grote omslag kwam in 1998, toen we een contract tekenden met de BankGiro Loterij voor 1,5 miljoen euro per jaar. Dat geld heeft een vliegwielfunctie. Het is niet genoeg om een Rembrandt te kopen, maar het kan wel een basis vormen. Als je als museum zelf al wat bijeen hebt gespaard, krijg je de andere fondsen ook sneller mee.” Er is, vindt Duparc, op dit moment in Nederland genoeg mogelijk als het gaat om aankopen. „Het is unfair om daarover te klagen.”

Waar Duparc zich wel over opwindt is de toenemende overheidsbemoeienis met de verdeling van loterijgelden. Vorige week liet de oud-directeur zich daar kritisch over uit tijdens een bijeenkomst waarop de BankGiro Loterij 53 miljoen euro uitdeelde aan 45 culturele instellingen. Het ministerie van Justitie wil bepalen aan welke instellingen de loterijen hun gelden schenken. „Een totaal onjuiste ontwikkeling”, vindt Duparc. „Eerst zegt de rijksoverheid dat musea op eigen benen moeten staan, dat ze commerciëler en wervender moeten worden. Dat hebben we gedaan, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de BankGiro Loterij. En vervolgens zegt diezelfde overheid: ho eens even, hoe wordt het geld door de loterijen verdeeld? Dat is pure bemoeizucht.”

Uiteindelijk profiteert iedereen van de aankopen die met sponsorgeld gedaan kunnen worden, zegt Duparc. Hij wijst naar het Boslandschap met boerenhoeven van Meindert Hobbema, waar net een schoolklas voor heeft plaatsgenomen. „Ik bedoel: dit schilderij is niet van mij, het is van ons allemaal. Het is bovendien rijkseigendom geworden. Het kostte destijds, in 1994, 11,5 miljoen gulden. Daar heeft de overheid 5 miljoen aan meebetaald. De overige 6,5 miljoen heeft het rijk dus op een presenteerblaadje gekregen.”

Van alle aankopen die Duparc voor het Mauritshuis heeft gedaan, is hij het meest trots op de Rembrandt die hij in 1999 voor het recordbedrag van 32 miljoen gulden kocht. „Dat het is gelukt om een van de allermooiste Rembrandts terug te brengen naar Nederland, terwijl ons budget zoveel beperkter is dan dat van veel Amerikaanse musea, is een droom die is uitgekomen.” Haast verliefd kijkt Duparc naar het portret van de oude man, die met zijn dikke buik onderuitgezakt in een leunstoel zit, de knoopjes van zijn jas geopend. „Zie je wat een fysieke aanwezigheid die man heeft in deze zaal? Waar je ook staat, hij trekt de aandacht.”

Duparc: „Dit schilderij hangt er over tien jaar nog. En over vijftig jaar, als ik onder de groene zoden lig, hangt het er nog steeds. Deze Rembrandt blijft. Als je als kunsthistoricus of als voormalig directeur terugkijkt op je leven, dan zijn dat de dingen die ertoe doen. Dat je echt iets hebt kunnen betekenen. Dat je iets hebt nagelaten.”

Zeegezicht met schepen is te zien in het Mauritshuis. Inl: www.mauritshuis.nl